Spring naar inhoud

80% minder christenen sinds de val van Saddam

geschreven op 24 september 2015

80% minder christenen sinds de val van Saddam

Toen Irak in 1932 onafhankelijk werd, was 20% van de bevolking christen. Nu, meer dan tachtig jaar later, geldt dat voor minder dan 1%. Vanwaar die exodus van christenen?

Irak staat momenteel op de derde plaats in de wereldranglijst van christenvervolging, net onder Noord-Korea en Somalië. Dat betekent dat geen enkel land in het Midden-Oosten zwaardere vervolgingen kent. Dat heeft veel te maken met de terreurgoep I.S., die in het land ontstaan is. Vooral in I.S.-bolwerk Mosoel is de situatie voor christenen precair. Ze krijgen er drie opties: zich tot de islam bekeren, een belasting van minstens 200 dollar betalen, of de dood. Wie geen van de drie opties wil kiezen, moet vluchten.

Gebrandmerkt

Het lijken wel scènes uit de Tweede Wereldoorlog: om aan te duiden in welke huizen er christenen wonen, markeert IS die met de Arabische letter N. Die letter staat voor ‘Nasrani’, het Arabische woord voor christen. IS kan de gebrandmerkte huizen zo in beslag nemen, plunderen of de eigenaars en buren onder druk zetten. Maar ondertussen wordt die letter op sociale media ook gebruikt als symbool van steun aan de christenen in het Midden-Oosten, samen met de hashtag #WeAreN.

links: Een huis in Irak wordt met het N-symbool gekenmerkt / rechts: Irakese christenen en moslims protesteren tegen de christenvervolging

Maar de Irakese christenen hadden het al voor de opkomst van IS moeilijk. Al sinds de onafhankelijkheid in 1932 zijn er conflicten tussen soennieten, sjiieten en christenen. Amper een jaar later, in 1933, vond de Genocide van Simele plaats. Die stad, niet ver van Mosoel, werd toen bewoond door Assyriërs, de grootste tak van het christendom in Irak. In het noorden van het land vernielde het leger verschillende Assyrische dorpen en doodde het duizenden christenen.

Zeventig jaar later, in 2003, zou de christelijke gemeenschap in Irak opnieuw onder vuur komen te liggen, na de Amerikaanse invasie in Irak. Dictator Saddam Hoessein werd van de troon gestoten en het land raakte gevangen in een spiraal van sektarisch geweld. Sjiitische moslims, die onder Saddam decennia lang onderdrukt werden, streden met soennitische moslims om de lokale macht. In het noorden van het land mengden ook de Koerden zich in de strijd. De minderheden, die niet langer de bescherming van de strak geleide staat genoten, raakten in verdrukking. Kerken en huizen van christenen werden vernield, maar ook de jezidi's, een andere religieuze minderheid in het noorden van Irak, kregen het moeilijk.

Jezidi-vrouwen vechten in een Koerdische militie in Noord-Irak

Tijdens Hoesseins regeerperiode was het nog relatief veilig voor christenen. De president en zijn partij gingen uit van een Arabisch nationalisme: alle burgers zijn Irakees, zonder onderscheid op basis van religie. Wie zich schikte naar Saddams harde hand, had ook geen last van hem. Christenen kregen verschillende hoge posities in het bestuur. Zelfs de vicepremier, Tariq Aziz, was christelijk. Van het anderhalf miljoen christenen dat Irak in 2003 telde, blijven er nu nog maar 300.000 over.

Die gevluchte christenen kwamen overal ter wereld terecht. Sommigen vluchtten naar Europa of de Verenigde Staten, maar een groot deel bleef in het Midden-Oosten. Syrië werd een belangrijk gastland. Maar ook binnen de Iraakse landsgrenzen sloegen christenen op de vlucht; velen van hen trokken naar Iraaks Koerdistan, dat sinds de eerste Golfoorlog een zekere autonomie verworven had.

Toen de burgeroorlog in Syrië uitbrak, keerde een deel van de Irakese vluchtelingen terug. Alleen al in de zomer van 2012 zouden ze met z'n 30.000 geweest zijn. Drie jaar later regeert in hun vaderland nog altijd de chaos.

Deze artikelreeks kwam tot stand in samenwerking met camping VRT. Studenten Elise Hoste, Elise Hermans, Fatima-Zahra Naimi, Rein Bauwens en Lorenzo Vicencio werkten mee aan dit project.

VRTNU VRTNU VRTNU