Spring naar inhoud

Kenia: oorlog om ivoor

geschreven op 09 september 2015

Voor de opnames van onze derde Kleine helden-aflevering trekken we naar Kenia. Maar waarom net dat land?

door de Vranckx-redactie

Afrika is een olifantenkerkhof

Eerst: de droge cijfers. Elk kwartier sneuvelt er wel een olifant in Afrika. Decennia van illegale jacht hebben het olifantenbestand gedecimeerd: stampten er in 1979 nog 1,3 miljoen dikhuiden rond in het Afrikaanse continent, dan was dat aantal in 2013 geslonken tot 400.000 - sommige schattingen houden het zelfs bij slechts 250.000. Een dertigduizendtal daarvan leeft in Kenia.

De olifant is overigens niet alleen, want zowat alle iconische Afrikaanse dieren lijden onder de stroperij. Onder andere de neushoorn, de leeuw, de zebra en de gorilla worden om tal van redenen bejaagd.

Een dode olifant brengt op

Een gestroopte olifant in Amboseli National Park, Kenia.

De grootste afnemer is, met straatlengten voorsprong, China. Sinds 1989 werd er maar liefst 821.909 ton ivoor in beslag genomen. En het ziet er niet naar uit dat de illegale handel snel zal opdrogen, nu de straatwaarde van ivoor op vier jaar tijd geëxplodeerd is: van 750 dollar voor een kilogram in 2010 naar 2.100 dollar vorig jaar.

In Afrika zelf, daarentegen, haalt ivoor maar een tiende van dat bedrag. Het gevolg: criminele bendes kunnen enorme winstmarges realiseren. Ze hebben de ivoorverkoop zo goed als volledig in handen. Slechts 10% van het ivoor wordt legaal verkocht.

Waar hebben ze al dat ivoor voor nodig?

Naast de traditionele Aziatische geneeskunde, die een spil is voor de handel in lichaamsdelen van bedreigde diersoorten, belandt veel ivoor ook bij de groeiende Chinese middenklasse. Die wil zich onderscheiden, en doet dat graag met een luxeproduct als ivoor. Juwelen, beeldjes, stempels (in Japan), eetstokjes... je maakt er pas echt indruk mee als ze uit ivoor zijn.

Eén probleempje wel: het hele Afrikaanse olifantenbestand volstaat nog niet eens om te voldoen aan de Chinese vraag naar ivoren eetstokjes.

Hoe kunnen we de olifant redden?

De oplossing lijkt voor de hand te liggen: waarom verdoven we die olifanten niet gewoon en zagen we hun slagtanden af, voor stropers ze kunnen doden? Helaas is dat om verschillende redenen niet haalbaar. Verdovingsvloeistof is duur, net als de mankracht die nodig is om de olifanten in hun verafgelegen leefgebieden op te zoeken. Als je weet dat het wereldrecord slagtanden afzagen momenteel staat op vijf behandelde olifanten op één dag, door één team, en dat er in Kenia alleen al meer dan 30.000 rondlopen, dan begrijp je dat dat een onhaalbare klus wordt. Bovendien is het een pijnlijke operatie voor de olifanten, die hun slagtanden ook nog eens nodig hebben om zich te verdedigen tegen roofdieren en te woelen in de grond.

De handel legaliseren dan maar? Dan zal het aanbod groeien, en de prijs dalen, toch? Wel, nee. Het is geprobeerd, tot twee keer toe: in 1999 verkocht CITES 50 ton ivoor aan Japan, en in 2008 dubbel zoveel aan China. In dezelfde periode is de illegale handel verdrievoudigd.

Kan de overheid niet strenger optreden tegen ivoorsmokkel? Dat is gebeurd, op verschillende manieren en met gemengde resultaten. In 1989 stak Kenia een stapel in beslag genomen ivoor in brand. Een duidelijk signaal dat een schokgolf door de wereld joeg, en de illegale handel tijdelijk stopte. Maar het effect van zulke verbrandingen lijkt intussen uitgewerkt - ook ons land vernietigde in 2014 overigens zijn ivoorvoorraad. Daar komt nog eens bij dat rangers op het terrein erg vatbaar zijn voor corruptie, net als hun oversten en politici.

Wat wel lijkt te werken, is de bevolking actief betrekken. Elk van onze drie kleine helden in Kenia doet op haar of zijn manier een duit in het zakje: door te sensibiliseren, door zichzelf om te scholen van jager tot safari-organisator, of door stropers om te scholen tot rangers.

Een kudde buffels in Amboseli National Park, Kenia.
VRTNU VRTNU VRTNU