Spring naar inhoud

De onherkenbaren

geschreven op 22 maart 2017

Voor zijn reeks IS in het vizier zocht Rudi Vranckx samen met zijn ploeg de mensen op die strijden tegen IS. Regisseur Mark hield al die tijd zijn indrukken bij in een dagboek.

5 november 2016. Met een veel te groot busje stoppen we in hartje Sanliurfa, Turkije, ver genoeg van het adres van afspraak. Het mag niet opvallen dat we daar moeten zijn. “One by one”, zegt de gids. Met camera's, micro’s en statieven verstopt in tassen zullen we een voor een naar binnen gaan.

Waar? Nooit geweest. Een oud appartementsgebouw in een drukke wijk. De dampende geur van bradend vlees vermengd met uitlaatgassen van versleten dieselmotoren in je neus. Ik verwacht dat we bij een drukke familie thuis zullen aankomen. Veel volk in een kleine kamer. Dat zijn slechts veronderstellingen. Die kloppen meestal niet.

Eerst gaat onze cameraman Patrick, de stoerste van ons viertal. Hij blijft even alleen in het appartement, zes verdiepen hoog. Onze begeleider gaat telkens op en neer. Klankman Jan, de oudste, de meest bebaarde en de minst verdachte hier gaat als tweede.

Een lokale ploeg bracht onlangs een getuige herkenbaar op tv. Later was zijn gefilmde onthoofding op het internet te zien

Water stroomt over de treden wanneer het mijn beurt is. Net nu laat een man met een tuinslang water gutsen. Het water golft als een beekje over de treden. Dikke druppels spatten door mijn broek heen, mijn schoenen kletsnat. Niks laten merken. Doorwandelen. Vooral geen contact leggen met bewoners. Iedereen kent iedereen hier in deze wijk.

Een onbekende houden ze al eens tegen met de woorden: “Wie ben je? Ik ken je niet...” Geen idee wat ik dan zou vertellen. Maar dat is niet nodig want ik spreek geen Turks en weinig Turken spreken Engels.

Het interview dat we zullen doen mag nooit hebben plaatsgevonden. De persoon die de woorden spreekt bestaat echt, zijn verhaal is echt maar hijzelf mag nooit voor onze camera gezeten hebben. Want wat hij zegt of zelfs het simpele feit dat hij hier met ons is, kan hem de kop kosten. Letterlijk. De bewoners van Sanliurfa zijn doodsbang voor IS. Een lokale ploeg bracht onlangs een getuige herkenbaar op tv. Later was zijn onthoofding op het internet te zien. Toch moeten wij iets filmen om de belangrijke getuigenis van deze gesluierde figuren in een documentair verhaal te kunnen vertellen.

Hoe gaan we zitten? We stellen onze statieven op. Welke lichaamsdelen kan ik nog wel filmen? Rudi is ondertussen ook aangekomen. Hij concentreert zich volledig op het interview terwijl wij de setting zo goed mogelijk maken voor het filmen en voor de persoon die zal getuigen. We leggen de kussens die in deze landen altijd tegen de witte muur liggen midden in de kamer. Zo kunnen we de camera achter de geïnterviewde plaatsen.

Het is hier opvallend leeg en koud. Geen wriemelende familie. Geen lawaai en geen drukte.

Heb ik die vertaling nu echt goed gehoord? Het beeld blijft me de volgende dagen achtervolgen

Na een uurtje wachten verschijnt een spichtige jongen. De deur waarlangs hij binnenkomt lijkt meer op een brandkast dan op een voordeur. Ze is niet zo primitief als de rest van dit gebouw. We begroeten de dappere jongen hartelijk. Hij ziet er zelfs niet verlegen uit. Wat hij heeft meegemaakt zal onze nekharen overeind doen komen. Met een sjaal voor zijn aangezicht, als een Toeareg, begint hij zijn verhaal te vertellen. Het komt eruit in korte fragmenten. Hij beschrijft hoe hij behandeld werd door IS. Zijn jonge stem tekent genadeloos gruwelijke verhalen in de kale kamer. “They used to behead people on the street and give the head to children to play with." Heb ik die vertaling nu echt goed gehoord? Dit beeld wil ik verdringen. Het blijft me de volgende dagen achtervolgen.

Buiten gaat de zon onder. Het licht glipt uit de kamer. Twee schimmen praten tegen elkaar. Met de tolk in het midden als overbrugging tussen twee werelden. Het minderend licht maakt het beeld sterker. Enkele lichtlijnen tekenen Rudi in mijn zoeker. In het andere shot bewegen de ogen van de jongen levendig in de groene sjaal. Zijn mond beweegt achter het zijden doek. Bij het happen naar lucht vormt de stof een kratertje.

De jongen verdwijnt weer met de begeleider. Er komt nog iemand. Een vrouw was aangekondigd. Maar nu spreekt men plots over een man. We wachten geduldig. Acht uur is het al. Het wordt laat en koud. Sinds het ontbijt hebben we niet meer gegeten. Door het raam zie ik nog steeds de dampen van pitavlees dat gebraden wordt op een hete plaat. Wat verder steekt een restaurant met de Eiffeltoren als logo boven de dampen uit. Dat lijkt wel een goed restaurant volgens Patrick. Rudi en ik zouden er niet gaan eten. Geen punt. We kunnen toch niet buiten.

Rudi voelt nog eens aan de voordeur. Op slot. We kunnen er niet meer uit

Rudi voelt nog eens aan de voordeur. Op slot. We kunnen er niet meer uit. Dat besef werkt beklemmend. Roept allerlei vragen op die je nerveus maken. De gsm-batterij van onze fixer loopt leeg. We horen niks meer van de man die de volgende ging halen.

De fixer krijgt een kabeltje van mij en een stekker van Rudi. Even later heeft hij contact met de man die ons nog een getuige zou brengen. Ik begrijp dat die niet meer zal komen. Pak mijn camera weer in. Op dat moment stapt hij de kamer in. Jawel, we hebben een tweede getuige.

We zullen hem interviewen in een andere kamer waar verlichting is, want buiten is het nu nacht. Er zijn zetels die zorgen voor een ander decor. Het zou nogal gek zijn als we deze man in dezelfde kamer als de jongen van daarnet zouden filmen. Ze hebben geen band met elkaar. Een man van dertig komt de kamer in en geeft nog duidelijke richtlijnen voor hij begint te praten. We mogen hem enkel langs achter filmen, ook al heeft hij zijn gelaat bedekt met twee hoofddoeken. Hij herhaalt verschillende keren: mijn stem moet onherkenbaar gemaakt worden.

Zullen we doen.

Het is al bijna 22u als we het huis verlaten. Niemand spreek ons aan. Of kijkt naar ons. We gaan nu per twee naar buiten.

De volgende dag staan we klaar om te vertrekken voor een interview met een derde getuige. Alle materiaal in het busje. Motor draait. Maar onze fixer vertelt ons dat deze getuige in de loop van de nacht schrik heeft gekregen. Hij zal zijn verhaal niet doen. Begrijpelijk.

Wanneer we de volgende dag op de luchthaven onze 16 koffers op de transportband leggen, wordt onze fixer apart genomen door de Turkse geheime politie. “Die mannen waar u mee reist lijken ons spionnen. Vindt u ook niet?” vragen ze hem. “Het zijn journalisten”, antwoordt hij. “En wie bent u?”, vraagt de geheime politie. “Ik ben een freelance fixer. Ik begeleid hen”, zegt hij. “We denken dat het spionnen zijn”, houden ze vol.

Als IS-strijders terug zouden keren naar Europa, dan zouden ze eruit zien zoals wij nu

Onze fixer moet het toegeven: als IS-strijders terug zouden keren naar Europa, dan zouden ze eruit zien zoals wij nu. Journalist zijn is voor hen de perfecte vermomming. Vooral Jan met zijn baard ziet eruit als de leider van een IS-groep.

“Het zijn echt journalisten” houdt onze fixer vol. “Overal waar ze kwamen zijn ze gecheckt, dat kunt u nagaan. Ze hebben ook perskaarten.” De geheime politie laat ons met rust. Maar wanneer we in Istanboel de paspoortcontrole moeten passeren, stuurt de agent ons naar zijn ?ef. We missen er bijna onze vlucht naar Brussel door. Maar ze laten ons uiteindelijk gaan.

Ik heb geen zin in een gevangenis zoals in de film Midnight Express, zeg ik lachend tegen de fixer. “Dat verhaal klopt niet”, antwoordt hij ernstig. “Als je in Turkije wordt opgepakt met drugs, stoppen ze je niet in de gevangenis. Dat is enkel als je drugs verkoopt. Dealers steken ze wel in de gevangenis.” “En wat doen ze met je als ze je betrappen op het bezit van drugs?” vraag ik. “Dan stoppen ze je een jaar in een psychiatrische instelling”, zegt hij met een glimlach in de ogen. Daar heb ik niet meteen zin in. Ik heb geen drugs bij en ik ben geen spion.

Ik ben toch enigszins blij wanneer de deuren van het vliegtuig sluiten.

VRTNU VRTNU VRTNU