Spring naar inhoud

Deed de mens altijd dieren uitsterven?

geschreven op 23 december 2015

Dirk Draulans, bioloog en redacteur van Knack

Het was een opvallend verslag dat in de lente verscheen in het wetenschappelijk topvakblad Science. Het stelde onomstotelijk vast dat grote zoogdieren in Europa een sterke comeback maakten, waarbij ze zich niet lieten afschrikken door de dominantie van de mens. De opmars van de wolf, de bruine beer en de lynx is een succesverhaal. In het meest geïndustrialiseerde en verstedelijkte continent van de wereld leven momenteel 12.000 wolven, 17.000 beren en 9000 lynxen. Dat zijn kleine aantallen, maar als je ze vergelijkt met de schamele 30.000 leeuwen die er in Afrika overblijven en de precaire 3000 tijgers in Azië zijn ze niet beschamend slecht. Daarenboven waren de dieren ooit virtueel uitgeroeid in Europa, als gevolg van ononderbroken en meedogenloze verdelging, want ze liepen in de weg van de vooruitgang – vooruitgang bekeken vanuit het standpunt van de economische mens die niets anders op zijn weg duldt dan wat in zijn kraam past, geld opbrengt of, in het beste geval, niet in de weg loopt.

Bij elke verdwijning wordt er ruimte gecreëerd voor andere soorten die niet aarzelen om de vacante plaatsen in te vullen, en die zich dikwijls van hun voorgangers onderscheiden.
Dirk Draulans

De cijfers krijgen wel een ander cachet als je ze wat in perspectief stelt. Gemiddeld gingen er in het voetbalseizoen 2014/15 meer dan 11.000 mensen naar een wedstrijd uit de Belgische eerste klasse kijken, dat is ongeveer het aantal wolven en meer dan het aantal lynxen in Europa, maar dan voor een paar uurtjes samengeperst in een stadion. Gemiddeld zitten er in een Vlaamse varkensstal bijna 1500 dieren – met zes stallen heb je het aantal lynxen in Europa, met tien stallen het aantal wolven en zo goed als het aantal beren. Wat het bestand van de roofdieren vroeger was, is niet bekend, maar uit de verhalen van Roodkapje en Reinaert de Vos (waarin Bruun de beer opdraaft) mag blijken dat ze tot het Europees erfgoed behoorden – er werd over gepraat, er werden verhalen over gemaakt, het ene al diervriendelijker dan het andere, ze maakten in ieder geval ooit deel uit van het dagelijks leven van de mens.

Het succes van de Europese roofdieren is een verhaal van doorgedreven natuurbehoud, van bescherming en toegenomen tolerantie ten opzichte van wat robuuste natuur heet: echte natuur, waarbij de dieren een handje hielpen door zich naadloos in te passen in een landschap dat door de mens gedomineerd wordt. Het is te hopen dat hetzelfde op zal gaan voor leeuwen en tijgers, want voor die soorten is het toekomstplaatje nog altijd obscuur. In de Verenigde Staten leven er meer tijgers in gevangenschap dan er overblijven in de vrije natuur, en in Zuid-Afrika worden meer dan 6000 leeuwen in gevangenschap gekweekt om door plezierjagers te worden afgeschoten. Grote roofdieren zijn op die manier iets voor het vermaak van een bepaald soort mensen geworden. Het helpt de aftakelende wilde populaties geen millimeter vooruit.

Er is veel debat over de vraag of wij een historische traditie in het liquideren van grote dieren hebben. De catalogus van dieren die verdwenen nadat de mens op het wereldtoneel verscheen, oogt indrukwekkend: wolhaarneushoorns, mammoeten, holenleeuwen en -beren, sabeltandtijgers, reuzenluiaarden, reuzenlemuren, enzovoort. Het vakblad Antiquity beschreef een slachtplaats voor prehistorische olifanten in wat nu Griekenland is, die gedateerd werd op een half miljoen jaar oud – toen bestond de moderne mens nog niet, dus ook onze voorouders moeten niet diervriendelijk geweest zijn. Moeilijke schattingen op basis van fossiele vondsten suggereren dat de mens in Zuid-Amerika 83 procent van de grote dieren uitroeide, in Australië 81 procent, in Noord-Amerika 79 procent en in Europa een schamele 38 procent – Afrika bleef met 12 procent grotendeels gespaard van historische uitroeiing.

Grote roofdieren zijn op die manier iets voor het vermaak van een bepaald soort mensen geworden. Het helpt de aftakelende wilde populaties geen millimeter vooruit.
Dirk Draulans

Maar niet iedereen is er van overtuigd dat de mens rechtstreeks verantwoordelijk was voor al dat uitsterven. Verdwijningen zouden even goed een gevolg geweest kunnen zijn van onder meer grootschalige klimaatveranderingen, want die waren er vroeger ook, en van onrechtstreekse menselijke invloeden zoals het op grote schaal afbranden van grasvlakten om productiever land te verkrijgen. In Proceedings of the National Academy of Sciences verscheen een studie die aantoonde dat sabeltandtijgers, reuzenhyena’s en andere grote rovers vanaf meer dan 2 miljoen jaar geleden in staat waren om jonge mammoeten en mastodonten te doden, waardoor ze de populaties van de grote planteneters mee onder controle hielden. De controle zou zo efficiënt geweest dat de aantallen grazers niet zo sterk konden aangroeien dat ze het floreren van de bossen door overbegrazing hypothekeerden – iets wat nu een probleem is op de weinige plaatsen in Afrika waar nog veel wilde olifanten leven.

Het is moeilijk aan te nemen dat een kleine populatie van mensen die met niet meer konden werken dan eenvoudige handwapens, in staat was om rechtstreeks grote populaties van grote dieren de dieperik in te jagen – het debat daarover kristalliseert rond de vraag naar de efficiëntie van de wapens die toen gebruikt werden. Nu kunnen we het wel, met de enorme expansie die we op de planeet gemaakt hebben en de enorme greep die we op onze leefomgeving uitoefenen, en met de massavernietigingswapens (geweren) voor dieren die we ter beschikking kregen. Zonder de recente opstoot van natuurbeschermingsidealen zouden we veel meer dieren effectief de vernieling in hebben gejaagd, het is een klein wonder dat er überhaupt nog wolven en beren (en grote walvissen) zijn.

Vorige herfst bracht Science ook een verhaal dat illustreert dat de uitstervingen in de pre-mensentijd een ander patroon volgden dan dat van onze tijden. Meteorietinslagen en vulkaanuitbarstingen hadden vooral het verdwijnen van kleine soorten tot gevolg. Wij werken in eerste instantie het verdwijnen van grote soorten in de hand, hoewel we stilaan het patroon van de oorspronkelijke extincties naderen, want de grote dieren staan al op de rand van de afgrond en we zakken geleidelijk af naar kleinere soorten in de zware en snelle uitstervingsgolf die wij als een tsunami over de wereld jagen. Eerst gingen de holenberen en de reuzenhyena’s, vervolgens de beren en de wolven, dan de otters en de bevers, binnenkort misschien de leeuweriken en de patrijzen…

Verdwijningen zouden even goed een gevolg geweest kunnen zijn van onder meer grootschalige klimaatveranderingen, want die waren er vroeger ook, en van onrechtstreekse menselijke invloeden zoals het op grote schaal afbranden van grasvlakten om productiever land te verkrijgen.

Bij elke verdwijning wordt er ruimte gecreëerd voor andere soorten die niet aarzelen om de vacante plaatsen in te vullen, en die zich dikwijls van hun voorgangers onderscheiden door het feit dat ze opportunisten zijn die het geweldig goed doen in het zog van de superopportunist die wij zelf zijn. Als we zo verder gaan wordt onze wereld er één van mensen, ratten en duiven, van bramen en distels en van huisdieren en vee. Her en der zal er iets authentieks als een curiosum tentoongesteld worden en via documentaires zullen we dichter dan ooit tevoren bij een wereld gebracht worden die er niet meer is – denk aan de schitterende animaties rond dinosaurussen die er bestaan.

Er zijn ook wetenschappers die nadenken over wat er gaat gebeuren als wij van de aardbol verdwenen zijn, omdat we onszelf in de vernieling hebben gewerkt of omdat we niet bestand bleken tegen een virus waar we geen weerstand tegen konden vinden. Optimisten wijzen er op dat er in het verleden altijd nieuwe grote dieren ontstonden, zelfs na grote uitstervingsgolven, wat ook specifiek voor zoogdieren het geval was. Het is dus niet uitgesloten dat er na ons verdwijnen nieuwe reuzenberen en holenhyena’s ontstaan. Maar anderen waarschuwen dat het geen garantie is, dat we het aardse leefmilieu vandaag op zo’n grote schaal en aan zo’n grote snelheid wijzigen dat het héél lang kan duren voor er weer iets spectaculairs opduikt. We moeten ons daar echter geen zorgen over maken. De kans dat er een diersoort bij is die zich er druk om maakt, is klein.

Het is dus niet uitgesloten dat er na ons verdwijnen nieuwe reuzenberen en holenhyena’s ontstaan.
Dirk Draulans

Een recent verslag in Scientific Reports besloot in ieder geval dat massale uitstervingsgolven altijd goed waren voor interessante experimenten van de natuur met nieuwe levensvormen. Ze werkten ook de door ons zo geroemde biodiversiteit in de hand, want er kwamen altijd nieuwe ontwerpen bij. Maar om dat als een argument te gebruiken om vrolijk verder te gaan met het elimineren van tijgers en neushoorns, is een grote brug te ver. Het kon ook een tijd duren voor er na een massa-extinctie op grote schaal nieuw leven was. Toen 251 miljoen jaar geleden 96 procent van het leven op aarde uitstierf als gevolg van immense vulkaanuitbarstingen, duurde het 100 miljoen jaar voor de biodiversiteit weer op peil was gekomen. De aarde had tijd nodig om te bekomen. Dat zal na ons uitsterven mogelijk ook het geval zijn.

VRTNU VRTNU VRTNU