Spring naar inhoud

Het gevaar van relativeren

geschreven op 19 december 2015

Elke week geeft Canvas een stukje van z'n website uit handen. Aan fijne, lieve en boeiende mensen. Zoals Maartje Luif.

" 'Later word ik kok en journalist’, schreef ik in 1982 in mijn dagboek. Ik was toen 8," staat er op haar website. En dat is haar uiterst goed gelukt.

Zo goed zelfs, dat de Leuvens Amsterdamse ondertussen mensen lesgeeft in het creatief en journalistiek schrijven. Dat ze columns schrijft en blogt. En dat ze werkt aan een roman voor Atlas-Contact.

Nog tot en met 20 december houdt ze hier een dagboek bij.

Bij mijn dagelijkse nieuwsrondje lees ik dat in mijn vaderland vuurwerkbommen door de ruiten van een Somalisch gezin zijn gegooid. De daders lieten een briefje achter met hoofd van Geert Wilders en daaronder: BLANK IS BETER, EIGEN VOLK EERST!!! ALLOCHTONEN MOETEN WEG HIER!! DIT IS PAS HET BEGIN!! Ik denk aan het allesverzengende racisme dat volgde op het zwartepietendebat, aan de malloten die een opvangcentrum voor vluchtelingen in Woerden bestormden en aan het Polen- en asielzoekersmeldpunt van de PVV, de partij die onlangs in een vacature expliciete afkeer van de Islam eiste en in de peilingen de grootste partij van Nederland is.

Het briefje dat de daders op de deur van een Somalisch gezin hingen na een aanval met vuurwerkbommen.

Elke vergelijking met de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog gaat mank, maar het sluipenderwijs ontmenselijken van andersdenkenden en vreemdelingen kun je moeilijk niét in het licht van de geschiedenis zien. Er zijn vaker groepen mensen in het verdomhoekje gedrukt en het lijkt me zinloos om te doen alsof we niet eerder met dat bijltje hebben gehakt. De wet van Godwin stelt dat naarmate een online discussie langer duurt de kans dat iemand de vergelijking maakt met Hitler of de nazi's 100 procent nadert. En hoewel een vergelijking met de Tweede Wereldoorlog altijd al riskant was, is het sinds de Wet van Godwin onmogelijk om, ook al doe je het voorzichtig, parallellen te trekken met de dynamiek van de geschiedenis. Iedereen zal je uitlachen.* 'Dat meen je niet? Maak je nu echt een vergelijking met de Tweede Wereldoorlog?'***

Maar in mijn hoofd gelden de wetten van het internet niet. In mijn hoofd 'Godwin' ik er lustig op los en vraag ik me zonder scrupules af hoeveel van mijn oud-landgenoten een moslimbuurman zouden verraden als Wilders erom zou vragen. Ik vermenigvuldig het aantal zetels dat Wilders in de peilingen heeft met het aantal kiezers dat nodig is voor een zetel, en gok dat ongeveer tachtig procent van die kiezers een moslim zou verraden. Zo kom ik tot het schrikbarende getal van 1,7 miljoen mensen die een sms'je zouden sturen met het adres van hun islamitische buurman. Ik dubde of ik dit getal op deze plek zou noemen, want ja, Godwin, pathetisch, riskant, de hele mieterse boel. Maar was het niet juist dat relativeren waardoor de geschiedenis zijn beloop kreeg?

Iedereen praat, maar ik zit op de T-splitsing van de conversaties, de gesprekken slaan vlak voor mij af. Ik kijk om me heen, sabbelend op het chocolaatje dat bij mijn koffie zat.

Het is anders dan tien jaar geleden, toen ik de vrienden uit de theatergroep van mijn man - toen nog mijn verkering - voor het eerst ontmoette. Destijds moest ik moeite doen om ze te verstaan, want het Vlaams had nog geen plaats in mijn hoofd, ik verwachtte nog dat we uit het café geveegd zouden worden als het ging sluiten, omdat ik niet gewend was aan vrije openingstijden, en ik probeerde me uit alle macht voor te stellen hoe het zou zijn als ik deze mensen tot mijn vrienden mocht rekenen.

Bélgische vrienden, het moest niet gekker worden.

'Het is anders dan tien jaar geleden, toen ik de vrienden uit de theatergroep van mijn man voor het eerst ontmoette.' © Wannes Daemen

Vanavond zijn we bij elkaar omdat een van hen, Koen, gaat emigreren naar de Verenigde Staten.

Hij vertrekt uit Leuven voor de liefde, zoals ik uit Amsterdam vertrok voor de liefde, hij laat zijn vrienden achter, zoals ik mijn vrienden achterliet en hij neemt een stap in het ongewisse, precies zoals ik dat deed. Ik herinner me dat ik bang was, maar dat niet liet merken. Ik kijk naar Koen en ik vraag me af of hij bang is. Hij laat niks merken.

De angst was gegrond, emigreren is geen kattenpis en alles waar ik bang voor was gebeurde: ik was regelmatig eenzaam, losgezongen en afgesloten. Maar het was ook de meest louterende ervaring uit mijn leven, want er is geen verfrissender detox dan helemaal opnieuw beginnen in een land waar bijna niemand je begrijpt.

De conversatie op het kruispunt voor me gaat over Amerikanen en vriendschap. Ik wil me mengen, want nieuwe vrienden maken is me misschien nog wel het zwaarste gevallen. In het begin legde ik de oorzaak bij de Belgen en hun weinig flexibele levensstijl, maar na verloop van tijd kwam ik erachter dat ik het zelf was, ik was het obstakel.

'Weet je Koen', zeg ik, 'je zult waarschijnlijk moeilijk nieuwe vrienden maken en je zult wijzen op de cultuurkloof. Maar dat is niet terecht. Het is onze leeftijd, dan maak je gewoon amper nog vrienden.'

Koen knikt en het gesprek buigt af naar de garçon die nog een rondje kerstbier noteert, en een koffie voor die mevrouw in de hoek waar alle gesprekken afslaan. Ik kijk nog eens om heen, naar Koen, Heleen, Patrick, Lode, Aagje, Goedele, en ik voel tot in mijn tenen dat het flauwekul is dat je op onze leeftijd nog amper vrienden maakt.

Ik ben voorstander van behapbaar schuldgevoel in maatschappelijke zaken. Een vleugje wroeging zorgt ervoor dat bankrekeningen van hulporganisaties gespekt worden, dat we onze peuken niet gewoon uit het autoraampje kieperen en dat we geen 120 kilometer per uur door de bebouwde kom rijden. Maar behapbaar is wel de onwrikbare voorwaarde. Je moet er iets mee kunnen. Je moet bijvoorbeeld kunnen denken: nee, ik neem de fiets in plaats van de auto, of: ik ga nu echt overstappen naar een alternatieve bank die niet investeert in wapenhandel. Het moet je ertoe bewegen het kappertjespotje in de glasbak in plaats van in de vuilbak te gooien; dan hebben we het over behapbaar, enigszins zinvol schuldgevoel.

Vandaag betrapte ik mezelf op onbehapbaar en uiterst onzinvol schuldgevoel. We maakten een wandeling door de straten van Kessel-Lo. Ergens op een hoek stond een magnolia in de knop. Ik bleef staan en staarde een tijdje met open mond naar de sappige knoppen die dachten dat het maart was. Ik wilde zeggen: 'Wow, kijk, wat prachtig!' maar ik zei het niet, omdat ik het niet gepast vond. Een magnolia hoort geen knoppen te hebben in de donkere dagen voor kerst, en de boom krijgt problemen als de winter binnenkort aanbreekt. Ik deed mijn jas uit, knoopte die om mijn middel en zei nog steeds niks. Langs mijn hals trok een lentebries, in de verte kondigde een merel de schemer aan met een voorjaarsdeuntje en ik kon mij niet langer inhouden. 'Ik ben gelukkig', zei ik. Thuis knoopte ik de mouwen rond mijn taille los, mijn oog viel op de wilgenkatjes die ik het afgelopen weekend van de boswilg in de tuin knipte. De dorre herfstblaadjes broederlijk op één tak met die fluwelen knopjes die pas rond Pasen de kop op horen te steken. Ik vond het magisch. En ook toen durfde ik dat niet hardop te zeggen.

De dorre herfstblaadjes broederlijk op één tak met die fluwelen knopjes die pas rond Pasen de kop op horen te steken

Tien jaar geleden verhuisde ik van mijn geboorteplaats Amsterdam naar Leuven en daarmee ging ik grofweg twee graden warmer wonen. Je kunt het je misschien niet voorstellen, maar twee graden warmer leven is een onverwacht cadeau, dus ik juichte dat hardop toe. Nu krijgen we binnenkort allemaal twee graden in onze schoot geworpen. Maar deze keer voelt het toch als een cadeau waarbij je tijdens het openscheuren van het papiertje de contouren ontwaart van een olifantenslagtand. Een prachtig object, maar alleen in ontvangst te nemen in radeloze stilte.

'Ik ga even naar de auto kijken, ik wil zeker weten dat er niets is', zegt hij. Over de halve gordijntjes tuur ik in het schemerdonker. Hij draagt een geel vest en is daarmee gelukkig goed te zien voor het langsrazende verkeer. In het glijdende licht van de passerende koplampen verschijnt er een frons op zijn gezicht. Dus toch?

*Een kwartier eerder waren we opgeschrikt door een vrachtwagen die voorbij reed met wild geraas en dof geplof. We hadden naar buiten gekeken en geconstateerd dat in de verte de achterlichten van een camion wegkropen. De straat was nat, onze auto glom, het verkeer reed hard en niets in ons gezichtsveld verried wild geraas of dof geplof. *

Hij steekt zijn hoofd om de deur. 'De zijruit is stuk.' Ik ga direct met hem mee naar buiten. Er liggen drie platgereden delen van een boomtak, op de weg, achter de auto en voor de voordeur. Aan de straatkant hangen duizenden stukjes glas in de sponningen te wachten op de genadeklap. In het midden zit een gat. Vermoedelijk reed er een vrachtwagen over een kromme boomtak die vervolgens met grote kracht uit elkaar sprong, dwars door onze zijruit.

En dan komt dat moment waar herinneringen van gemaakt worden: er volgt een reeks handelingen en gedachten die je allemaal nooit eerder deed en dacht. Wat is er gebeurd? Wie moet dit weten? De verzekering? De politie? Wie lost dit op? Hoe snel? Hoe goed? En wie betaalt er voor een ongeluk zonder schuld?

Dingen die je langzaam leert zijn te uitgerekt voor een pakkende herinnering. Onverwachte eerste keren zijn daarentegen uitermate geschikt om zich voorgoed in je hoofd te nestelen. Zo weet ik nog exact hoe ik mijn paspoort moest zien terug te krijgen van een aan morfine verslaafde campingbaas, ik zal nooit vergeten hoe ik binnen 24 uur bijna 17 duizend euro moest zien veilig te stellen en in mijn geheugen staat nog haarscherp gegrift hoe ik mij moest ontworstelen aan het predikaat 'burgerlijke staat: onbepaald'. Allemaal situaties die op zichzelf niet meer waren dan op de juiste manier communiceren, maar die extra gewicht kregen omdat ik het eerder niet voor mogelijk had gehouden.

Het is niet die tak op zich, die mij nog lang zal heugen, of de verbrijzelde autoruit, het is het feit dat het de eerste keer was. Wat me tot de geruststellende gedachte brengt dat na vandaag geen tak mij de pis nog lauw zal maken.

'Ik zit met mijn dochter in de vensterbank. We staren naar de sneeuwval. Ik hoor haar zeggen: Ik word heel langzaam drie jaar.' Deze prachtige zin las ik vandaag in een 10-delig verhaal van Laura Broekhuysen op de website van het literaire tijdschrift de Revisor. Laura woont met haar man en haar dochter van alles en iedereen verstoken in een fjord in IJsland. Haar reeks over de winter in IJsland is zo sfeervol, eigenzinnig en vindingrijk geschreven dat je niets liever wil dan na elk deel nog iets langer wonen in haar verhaal, in haar leven, en bovenal: in haar hoofd. Dus bleef ik plakken, terwijl ik manuscripten te lezen had, stukjes te schrijven, dingen te doen. Ik gaf het verhaal de kans mijn to-dolijst als een sneeuwschuiver naar de avond te duwen.

Mijn to-dolijst

Als schrijver en schrijfcoach vraag ik me vaak af: zou de lezer in dit verhaal willen wonen? Het antwoord op die vraag is doorgaans een lastige, want wonen in verhalen is zoals wonen in huizen: waar de een dolgraag zijn intrek neemt, wil de ander nog niet dood gevonden worden. Zodoende slijt ik mijn dagen als een ware makelaar: ik kijk of er authentieke elementen zijn, of de bedrading in orde is, of de fundamenten kloppen, of het verhaal de juiste sfeer heeft, en of er sprake is van een bijzonder uitzicht. Mocht het nodig zijn dan geef ik adviezen om het verhaal bewoonbaarder te maken.

En hoewel ik dus andere verhalen moest lezen, nam ik mijn intrek in het verhaal op de Revisor. Het bleek instapklaar, met koubeschrijvende zinnen als: 'Buiten trekt de maan tevergeefs aan de bevroren vloedlijn.' En over ware eenzaamheid: 'Denk je een flard, dan hangt dat flard boven het eb te wachten op een vervolg. Er is niemand die de gedachte voor je af zal maken.'

's Avonds klopte mijn to do-lijst aan, maar ik ging hem als herboren te lijf, want ik was op vakantie geweest in een verhaal waarin donker wit is en de stilte van ver komt. En het mooie is: u kunt er ook heen. Het enige wat u moet doen is uw to-dolijst laten voor wat die is en gaan wonen in een hoofd dat zinnen verzint als: 'Ik vraag me af of bij gebrek aan ons eigen diersoort, de spiegelneuronen in onze hersenen zich kunnen richten op andere visuele prikkels. Vuren zij signalen af bij het zien van golfslag, wervelwind, het stuiven van droge hagelbolletjes?'

Het verhaal Winter-IJsland begint hier. Veel plezier!

Ik ruim mijn laptop op en klik op een link die ik wil weggooien. One woman feels pain in colour, lees ik. Ja dûh, denk ik. Natuurlijk. Heeft niet iedereen dat? Ik voel al de hele dag twee gebraden gehaktballen in een zwarte ruimte, ik vermoed een blaasontsteking. De slijmbeursontsteking in mijn linkerarm is een grote lichtoranje tuinboon met een witte achtergrond, mijn hartkloppingen zijn een mistig landschap op een grijszwarte planeet en dat sneetje in mijn vinger is een scherp gevouwen origamifiguurtje dat afwisselend blauw en geel is.

Ik voel al de hele dag twee gebraden gehaktballen in een zwarte ruimte

Er gaat een belletje rinkelen. Toen ik er voor het eerst achterkwam dat ik synesthesie had, dacht ik ook: ja hèhè, natuurlijk zie ik de dagen, letters, cijfers enzovoort in kleur. Vrijdag is groen, het woord zwart is zilverwit en de jaren tachtig waren donkerblauw. Maar naarmate ik me er wat meer in verdiepte, ontdekte ik dat die mengeling van zintuiglijke waarnemingen die iemand met synesthesie ervaart verre van vanzelfsprekend is. Sommige vormen van synesthesie komen iets vaker voor, zoals kleurlezen, maar de meeste vormen, zoals geurhoren (als je geluid ruikt) of smaakzien (als je iets proeft wanneer je iets ziet) zijn uiterst zeldzaam.

Door de jaren heen kwam ik steeds meer te weten over synesthesie. Ik deed mee aan verschillende wetenschappelijke onderzoeken, stuurde wangslijm op, deed testen met muziek, notenlezen, begrippen en teksten, en ontdekte dat ik minstens vijftien van de vijfenveertig zintuigcombinaties ervaarde. Bij elke ontdekking bleef ik een gevoel houden van: wat? Staat bij jullie E mineur niet op een plek in de ruimte? Zijn er ook mensen bij wie een orgasme geen kleur heeft? Geeft een drumslag niet bij iedereen het gevoel van een breinaald op je been? En steeds opnieuw besefte ik dat ik kennelijk nog niet half wist hoe anders ik de wereld zag, rook en voelde. En nu dus dit weer.

Ik ga naar mijn echtgenoot. 'Kun jij pijn zien?' 'Wat bedoel je?' vraagt hij. Hij is wel wat gewend. Ik produceer al jaren stukjes over synesthesie en het speelt een rol in de roman die ik schrijf, dus hij weet dat ik soms rare vragen stel. 'Mijn blaasontsteking ziet eruit als bruine korrelige bollen tegen een zwarte achtergrond, een soort gehaktballen. Heb jij dat ook?' Hij denkt even na. 'Nee', zegt hij. 'Ik kan mijn pijn niet zien.' Ik hap naar adem. De rest van de maandag breng ik door in de lichte paniek die vergelijkbaar is met het moment dat je als kind beseft dat je je gedachten nooit uit zal kunnen zetten. De paniek die hoort bij het onbevattelijke.

Bij de koffie lees ik over het klimaatakkoord dat in Parijs is gesloten en als soundtrack bij dat nieuws hoor ik de meeuwen krijsen, de zwanen paren en de kraaien jagen. De natuur woont achter mijn huis.

Ik begrijp uit de analyses dat het ondanks de afspraken de komende jaren 2,7 graden warmer wordt en ik hou mijn hart vast, want ik maak me nu al zorgen om de paddenkolonie in de tuin die door de zachte winter dreigt te ontwaken uit haar winterslaap en zo het risico loopt binnenkort dood te vriezen. Zullen er bij een temperatuurstijging van 2,7 graden nog padden in de tuin zitten? Of pakken die hun paddenkoffertjes om in het noorden tussen de bladeren te gaan liggen?

Bij een volgende koffie vraagt Wannes, mijn man: 'Dat akkoord hè, wat moeten we daar nu van vinden?' We somberen wat en komen tot de conclusie dat we de dynamiek van de internationale afspraken en grootvervuilers nauwelijks kunnen bevatten, laat staan beïnvloeden. Het enige wat ons te doen staat, is geloven dat alle kleine beetjes helpen en onze pijlen richten op onszelf en onze omgeving.

De natuur woont achter mijn huis

Direct na de koffie, als we het motto Zondag Poetsdag ten uitvoer brengen, richt ik een pijl op mijzelf. Die toiletpot, die ik altijd te lijf ga met een wegwerpdoekje omdat het idee van een pisdweiltje in de wasmachine me zo tegenstaat, kan ik natuurlijk wél met een herbruikbaar vod doen. Als ik vervolgens het hele huis poets op een ecologische voetafdruk van grofweg twee teiltjes water en een dopje allesreiniger voel ik me een hele pief. Toegegeven, ik voel me algauw een hele pief. Als schrijver hoef ik slechts kleine wijzigingen aan te brengen in mijn gedrag om me een hele pief te voelen. Ik zit op mijn stoel en beperk de ribbekes à volonté en het dieselrijden al jaren tot mijn personages.

Maar als we na het schoonmaken een welverdiend derde kopje koffie drinken, zie ik de zinloosheid van wat ik aan het doen ben. Om het huis te kuisen heb ik vandaag twee armzalige teiltjes water gebruikt, maar in de tijd dat ik aan de keukentafel al babbelend de wereld verbeterde en mijzelf op de borst sloeg over mijn beperkte waterverbruik, dronken Wannes en ik zes kopjes koffie. Naar verluidt kost het 1050 liter water om die te produceren. Daar had ik ook een jaar lang mijn huis mee kunnen schoonmaken. Ik neem nog een slok koffie, de meeuwen krijsen en door het raam zie ik dat op het terras de bruine vlek die ik voor een blaadje hield langzaam verandert in een pad, met in zijn poot een piepklein paddenkoffertje.

VRTNU VRTNU VRTNU