Spring naar inhoud

Elisabeth Callens

Fotografe in Kazachstan en Kirgizië

geschreven op 13 september 2015

Deze week volgen we Elisabeth Callens, fotografe en journaliste (onder mee voor MO*) en Nomade van Vranckx. Ze reist door Kazachstan, Kirgizië en Tadzjikistan en probeert zo een beeld te vormen van het leven in deze minder gekende landen.

De Brugse Elisabeth Callens kende Kazachstan oorspronkelijk enkel van de film Borat en wielerploeg Astana en bij het uitspreken van de naam Kirgizië kreeg ze spontaan last van dyslexie. Kortom, Centraal-Azië was totaal onbekend terrein voor haar. Maar het prikkelde haar wel voldoende om een fototoestel in te pakken, een warme jas aan te trekken en naar Kazachstan te vliegen voor een rondreis door het gebied.

Een hele week lang geeft Elisabeth ons inkijk in haar leven en werk op deze blogpagina. Ze doet dat aan de hand van foto's, tekst en video. Vanaf 14 september volgen we een andere interessante correspondent, wetenschapper of kunstenaar.

Het is nu 9u ’s ochtends, lichtbewolkt en we staan op de A2 in Rome. Het stukje karton in Saars hand en haar mooie lange benen hebben tot nu toe nog niks opgeleverd. Proviand is echter voorzien voor drie dagen, dus no panic!

De 1500 kilometer naar huis willen we al liftend in drie dagen afleggen, via Milaan, Bazel, Straatsburg en Luxemburg. Saar wil absoluut in een vrachtwagen op het bovenste verdiepje slapen. Ik ben al lang blij met een koffietje van tijd tot tijd, al zou ik een Ferrari of Maserati niet snel afslaan.

Ik voel me hier in de buitenwijken van Rome alleszins al meer op m’n plaats dan in het centrum. Op korte tijd passeerden we alle highlights tussen de gigantisch kudde mede-toeristen. Het grappigste vond ik de massa mensen die hardnekkig foto’s bleef nemen van de Trevi-fontein, ook al staat die in stellingen en is er geen druppel water te zien.

Aan het Colosseum wilde Faruk uit Bangladesh mij een selfiestick voor twee euro verkopen, ook al heb ik geen smartphone. “Maar dat is niks, jong,” zei Saar, “ge kunt er ook mee golfen of rugkrabben!” Volgens Faruk is het verkopen van selfiesticks legaler dan sjaals en zonnebrillen, waar ze vroeger mee leurden. Dat strookt echter niet met onze ervaring want even later trok de politie ons bij hem weg. Hij deed namelijk iets clandestien, zeiden ze in hun spaghetti-Engels. Ik had wel wat jeuk aan mijn rug, maar toch kocht ik de selfiestick niet.

Als fotografe functioneer ik niet erg in een drukke stad als Rome, mede omdat ik me bedreigd voel door de miljoenen smartphones en reflexcamera’s op automatische piloot om me heen. Ik moet toegeven dat Rome een prachtige stad is, maar veel foto’s zal ik er niet aan overhouden.

Op rustigere plaatsen kan ik meer mijn eigen ding doen, omdat desolate plekken me fascineren. Daarom trok ik een tijdje door Kazachstan, Mongolië, Kirgizië en Tadzjikistan. Mijn tentoonstelling in Gent is nog te bezoeken tot en met 17 september. Ik zal er persoonlijk uitleg geven en u rondleiden, als ik hier tenminste snel van die godverdomse A2 wegkom.

Indien u toevallig Rome passeert en noordelijke richting uitgaat, aarzel niet om twee bevallige dames mee te nemen.

Zonder al te veel verdere omwegen komen we toe op camping Roma.

Het gezelschap van vzw ’t Huizeke ontvangt ons met een heerlijke aperol spritz, zoals het hoort in Italië. Ze fietsten met z’n zessen naar Rome en werden per kilometer gesponsord. De opbrengst gaat naar de vzw die het investeert in huizen voor kansarme gezinnen.

“En die muggen! Dat was misschien nog wel het vervelendste van heel de reis!” zegt Willy. We verbazen ons over hun bescheidenheid, de 1998 kilometer die ze aflegden, vinden ze vanzelfsprekend. De muggen en hitte daarentegen worden uitvoerig besproken.

Met een gemiddelde leeftijd van 67 jaar en een dagelijkse temperatuur van boven de dertig graden, reden ze langs de oude pelgrimsroute Via Francigena. 26 dagen, 7 platte banden en 2 valpartijen; we zijn onder de indruk van hun prestatie. We betwijfelen of we het met onze jonge benen zouden aankunnen.

Langer wordt er niet gekeuveld want de zes moeten gaan lunchen met Hedwig Zeedijk, correspondente voor VRT en Nederlandse omroep. Saar en ik komen tot een compromis om toch één dag te citytrippen. Ik zie er gigantisch tegenop want de thermometer geeft boven dertig graden aan en ik ben al half gesmolten. Saar daarentegen wordt te enthousiast naar mijn goesting door de Rome-tips van de fietsers. Een hele dag oude kerken en historische musea...help!

U kunt de tocht van de fietsers herlezen op www.thuizekefietst.com. Ook sponserbijdragen zijn nog steeds welkom!

Mijn geloof in de hedendaagse technologie heeft nog maar eens een deuk gekregen. Sally, de GPS van mijn copiloot, die ons gisteren ook al in de steek liet, kon het vandaag helemaal niet meer aan. Te ver van huis? Nochtans op het moment dat ze doorsloeg, waar we nog maar net de Belgische grens over.

De kortste weg naar Rome blijkt voor haar een route langs pittoreske dorpjes, haarspeldbochtige banen en van een snelweg heeft ze nog nooit gehoord. In het begin was ze nog charmant, nu is ze vooral irritant. Ligt het aan de GPS of aan het karma van ons busje? Dat laatste vertoont toch ook al enkele ouderdomsverschijnselen. Zo moeten we bijvoorbeeld engelengeduld hebben om de motor aan de praat te krijgen – een diesel zijn naam waard – al duurt het soms wel heel erg lang. Als we van tweede naar derde schakelen, piept er een signaal, u welbekend als u niet meteen uw gordel aandoet. Dit blijft duren tot de motor wordt stilgelegd. Om er niet helemaal gek van te worden, kwelen we liedjes mee op de maat. De auto openen lukt enkel langs de passagierskant en om de koffer te openen, moet de motor draaien.

Om er niet helemaal gek van te worden, kwelen we liedjes mee op de maat.

Elisabeth Callens

Zo’n reisstandaard ben ik echter gewend, vroeger reden we rond in een vierdehands mobilhome. De camper van familie Flodder was er niets tegen. Starten gebeurde door vanop een helling in tweede versnelling naar beneden te bollen of met startkabels. Kastjes gingen niet meer dicht; onderbroeken, lepels, koffiefilters en stripboeken vlogen langs onze hoofden. De lekken in het dak zorgden voor een beurtrolsysteem. Om de tien minuten moest iemand anders de grote of de kleine emmer op de goeie plaats houden om het water op te vangen. Op deze momenten was het pure concentratie voor de chauffeur want de ruitenwissers deden het niet. En toch op reis gaan naar Wales...

Met deze wagen is het echter niet zo erg gesteld. We zijn nog kurkdroog en er vliegt niets langs onze hoofden en zolang we Sally niet geloven, geraken we sowieso in Rome. Hout vasthouden!

Met dank aan mijn copilote Saar Fivez.

Waarom we precies naar Rome rijden, lees je in mijn post van gisteren.

We zijn nog maar net vertrokken en al verkeerd gereden. Ik dacht nochtans dat alle wegen naar Rome leiden. Blijkbaar dus toch niet, volgens Sally, de GPS van mijn copiloot.

We rijden naar Rome om mijn vader, Guy Callens, en zijn collega’s van vzw ‘t Huizeke op te halen. Op 16 augustus vertrok het gezelschap met de fiets vanuit Assebroek richting Rome. Ze fietsen zo’n 2000 km via een oude pelgrimsweg de ‘Via Francigena’. Elke kilometer van hun fietstocht wordt gesponsord en het gesponsorde bedrag gaat integraal naar de werking van ’t Huizeke.

Ik heb wat schrik van grote steden en warme temperaturen. Geef mij maar uitgestrekte steppes en een graad of 20 onder nul.

Elisabeth Callens

Vzw ’t Huizeke verhuurt kwalitatieve huizen aan kansarme gezinnen. De huurprijs hangt af van de draagkracht van het gezin. Het contract loopt tot het gezin terecht kan in een sociale woning of op de particuliere woonmarkt. In de voorbije twintig jaar maakte vzw ’t Huizeke voor meerdere gezinnen echt het verschil. Ze kregen een huis op een moment dat het voor hen niet vanzelfsprekend was. Daardoor valt de stress om onderdak te vinden al weg. De negatieve spiraal wordt zo doorbroken en ze kunnen terug dromen en werken aan hun toekomst.

Ik ben heel trots op mijn vadertje. Als ik zie hoe geëngageerd hij en de andere vrijwilligers met dit project bezig zijn, is het normaal dat ik hem hierin steun. En dus gaf ik me op om de auto met aanhangwagen naar Rome te brengen. De fietsen vliegen in de aanhangwagen en iets sneller dan in het heengaan zullen ze 2000 km afleggen in omgekeerde richting.

Mijn copilote en ik blijven nog een dagje in Rome hangen vooraleer we terug liften naar Brugge. Al heb ik wat schrik van grote steden en warme temperaturen. Geef mij maar uitgestrekte steppes en een graad of 20 onder nul.

U kunt de fietsers volgen, of toch de laatste kilometers, via thuizekefietst.com.

De ruiter helpt me op zijn paard, hij klimt erbij en in volle galop verdwijnen we door een gordijn van sneeuw en nevel. Aan de andere kant van het dikke witte gordijn worden schimmen zichtbaar. Het zijn ruiters. Ze zijn met ontzettend veel. Ik word afgezet op een heuvel bij een groepje mannen die gretig glaasjes wodka naar binnen spelen. Rond mij staan nog meer mannen en jongens, geen enkele vrouw te bespeuren.

Maar mijn aandacht gaat al snel opnieuw naar het gebeuren daar beneden aan de heuvel. Een enorme massa ruiters vecht er om een karkas van een geit zonder hoofd te bemachtigen. Wie het karkas heeft, moet zo snel mogelijk een rit rond het veld rijden. De tegenspelers achtervolgen de ruiter om het karkas af te pakken. Door de inspanning in die koude rijst damp omhoog uit de massa. Een waanzinnige gebeuren!

Dit spel heet Kok-Boru of Buzkashi en is een oude Centraal-Aziatische volkssport. Het spel kan op verschillende manieren worden gespeeld, individueel of in team, telkens met andere regels. Vandaag is het zo’n individueel duw- en vechtspel. Het is ontzettend ruw. Er wordt geslagen, geduwd, gestampt. Die arme paarden moeten maar braaf gehoorzamen wat hun baas zegt en de stampen incasseren. Ik zie paarden met bebloede ogen, mannen die suf van hun paard sukkelen, bloedneuzen, blauwe ogen... Sommige paarden worden na de wedstrijd afgemaakt omdat ze te erg gewond zijn.

Ik zie paarden met bebloede ogen, mannen die suf van hun paard sukkelen, bloedneuzen, blauwe ogen... Sommige paarden worden na de wedstrijd afgemaakt omdat ze te erg gewond zijn.

Elisabeth Callens

Het spel kan uren tot enkele dagen aan een stuk doorgaan. Aan de rand van het speelveld staan enkele wankele, bebloede mannen zich moed in te drinken om er dan weer in te vliegen. Wie wint, krijgt een grote prijs. Een paard, of zelf meerdere paarden, een auto of een enorme geldsom.

Het is moeilijk om zo’n spel bij te wonen. Niemand weet echt op voorhand waar en wanneer het georganiseerd wordt. De man waarmee ik op stap was daarnet zag een vriend van hem te paard. Hij was op weg naar een ander dorp om er te gaan spelen. Zo kwam ik achterop het paard, op weg naar een plaats ver van alles. Omringd door enkel wit en woeste mannen aan het strijden voor hun glorie.

De meest gestelde vraag van mensen die mijn tentoonstelling komen bezoeken is: “Waarom juist Kazachstan?” Nu kan ik heel wat redenen opsommen, maar wat me indertijd zo zeker deed beslissen om naar daar te trekken, was heel simpel…een film.

Tulpan is een prachtig drama met komische touch, van Sergey Dvortsevoy. De beelden van de weidse vlakten zijn overweldigend. Het harde leven en de totaal verschillende cultuur fascineerden mij enorm. Ik kon niet wachten om er zelf rond te dolen.

*Eens ter plaatse werd ik door heel wat dingen verrast. Niet enkel door de natuur, maar ook door de muziek, het eten en vooral, de manier van omgaan met elkaar. *

Ik kwam al snel tot de conclusie dat de rol van de vrouw in de Kazachse (tevens ook in de Kirgizische, Tadzjiekse en Mongoolse) cultuur niet op mijn lijf geschreven is.

De vrouw moet zeer sterk zijn, en wordt tegelijkertijd erg gelimiteerd. Ze is enkel de baas binnen de vier muren van het huis: ze kookt, wast, kuist en zorgt voor de kinderen. De man heeft het dan weer te zeggen buiten het huis. Hij zorgt ervoor dat het geld binnenkomt, dat er hout is voor de kachel, dat het veld omgeploegd wordt …

Enigszins conservatief, die indeling, maar niet zo wereldschokkend, zou je denken. Dat is het ook, maar heel vaak moeten de vrouwen ook nog eens zonder morren helpen bij de ‘mannelijke’ taken.

Die overload aan werk én de geringe bewegingsruimte van een vrouw, zorgden ervoor dat ik het begin niet kon aanzien. Ik vond het regelrecht onrechtvaardig en wilde iets doen: De vrouw wordt onderdrukt! Ik zal een revolutie starten, vrouwen der steppe, verenigt u!

Maar door lang in Centraal-Azië te vertoeven en te leven in de gemeenschappen, is mijn beeld veranderd en ging ik me zelfs schikken naar de taken die je moet doen als vrouw. Het enige verschil was dat ik wél enkele mannelijke vrienden had, dat ik wél naar buiten ‘durfde’ als het al donker was en dat ik wél ’s avonds ging sporten.

Hoewel ik me er dus bij neerlegde, bleef er mij gedurende mijn verblijf één ding storen, namelijk dat mannen precies niet dankbaar waren voor het werk van de vrouw. Dat kan een verkeerde interpretatie zijn van mij, maar ik kon er toch niet tegen als ik gecommandeerd werd. Ik ging het werk wel doen, maar kon er dan tenminste een ‘alsjeblieft’ bij gezegd worden? En een simpele ‘dank u’ achteraf? Kon mijn gastheer zijn kleren niet zelf in de kast leggen, eens koken of de kinderen helpen met hun huiswerk?

Ik heb heel wat gesprekken gehad over dit rollenpatroon, op een gemoedelijke manier, met zowel mannen als vrouwen. De meningen bleven verschillend, maar er was meestal wel begrip voor elkaars standpunt.

Leven in Centraal-Azië is nog steeds niet uitgesloten voor mij, maar dan toch met een goed geknede Westerse man of een zeer progressieve local die af en toe kookt, en ‘dank u’ zegt wanneer ik de afwas doe…

Met twee camera’s komen ze binnen. Vriendelijk komt iedereen zich voorstellen. Er zijn twee journalisten van de Kazachse nationale televisie, een journalist van een Kazachs dagblad en de attaché van de Kazachse ambassadeur. De ambassadeur zelf laat zich verontschuldigen. Verbaasd laat ik het allemaal over me heen komen. Ik had ze uitgenodigd om te komen kijken naar mijn tentoonstelling Infinite, over de oneindige steppes en het leven in Centraal-Azië. Maar ik had niet gedacht dat ze met zo’n groot vertoon zouden verschijnen. De Kazachse invasie is begonnen...

“Ik heb nog een cadeau voor u.” De attaché overhandigt me pakketjes met tientallen postkaartjes van Astana, de hoofdstad van Kazachstan; een kalender met foto’s van Kazachstan; een map met foto’s van Kazachse kunst en nog heel wat gadgets. Dankbaar neem ik het in ontvangst en leg het veilig achter de bar.

Kazachse journalist in Barbé Gallery

Ik loods vervolgens de journalisten door de galerij en vertel hen mijn ervaringen. Even later zie ik de attaché de postkaartjes van Astana over de tafel verspreiden, over mijn fotokaartjes, over mijn fotoboeken. Dat is een beetje vreemd: dit is geen tentoonstelling om Kazachstan te promoten, integendeel. Ik heb zo mijn eigen idee over de hoofdstad Astana. De stad bestaat nog maar 18 jaar en is het visitekaartje van de president. Hij heeft er miljarden in gepompt. Een bizarre keuze als je het mij vraagt want burgers op het platteland kunnen best financiële steun gebruiken. Scholen hebben er weinig middelen om de kinderen te onderwijzen, de werkloosheid is er torenhoog, een sociaal vangnet onbestaand, ziekenhuizen zien er belabberd uit... Astana is met andere woorden een uniek en weelderig eiland vergeleken met de rest van Kazachstan. Er zit niets anders op dan op een beleefde manier te vragen of de man zijn kaartjes wilt verwijderen van de tafel.

Ik probeer verder te gaan met mijn uitleg van de fotoreeks. Over mijn doel: het fotograferen van de leegte van de steppe en de levensomstandigheden. Tijdens mijn relaas voel ik hoe de journalisten me sturen om enkel de positieve kant te belichten. Niet dat ik een negatief beeld wil ophangen over de landen, gewoon het leven hoe ik het zag door mijn lens. Maar de vragen die ze stellen, zijn stuk voor stuk om een buitenlander te horen zeggen hoe geweldig hun land niet is.

In mijn ooghoeken zie ik de andere cameraman een jonge bezoeker filmen. Ze hebben de postkaartjes van Astana in zijn handen geduwd. Zijn opdracht: uitbundig ‘wauw’ zeggen bij elk kaartje. Om te eindigen met de vraag: “Would you like to visit our country?” Het jongetje kan niet anders dan ‘ja’ knikken.

De attaché van de Kazachse ambassadeur vraagt me tenslotte wanneer ik zal speechen zodat hij officieel zijn cadeaus kan overhandigen. Ik vertel hem dat ik niet plande te speechen. “Well, I guess, there is nothing left to do for us here!”, was zijn bondig antwoord. Hij liet het niet na om nog mede te delen dat de tentoonstelling helemaal niet representatief is voor zijn land. Waarop ik repliceer dat de hoofdstad Astana eigenlijk niet zo representatief is voor zijn land. Meer woorden zijn er niet aan vuil gemaakt. Ik denk dat ik sinds vandaag op de zwarte lijst van Kazachstan sta....

De tentoonstelling is nog te bezichtigen in de Barbé Gallery in Gent tot 17 september. U stuurt best een mailtje naar oliver@barbegallery.com of kijk op www.elisabethcallens.be.

VRTNU VRTNU VRTNU