Spring naar inhoud

Waar walvis koning is

geschreven op 17 april 2019

‘Hoeveel nachten hebben we eigenlijk geboekt in het eerste hostel?’, vraagt Cédric me. Hij bladert in onze reisgids, terwijl de piloot aankondigt dat we binnenkort zullen landen. ‘Vier’, antwoord ik. ‘Oei, da’s veel’, zegt hij. ‘Er lijkt niet zoveel te doen in Punta Arenas, of er staat toch niet veel in de gids.’ ‘We zien wel’, antwoord ik, terwijl ik zenuwachtig door het raampje van het vliegtuig naar beneden staar. Ik houd niet zo van vliegen en al helemaal niet van landingen.

door Celine Willmore

Het opstaan gaat gemakkelijk, want we voelen de jetlag nog.

Niet veel later zitten we in de keuken van Eduardo, de eigenaar van het hostel. Het is er warm en druk. Er staat een grote stoof waar andere gasten op aan het koken zijn. Ik hoor Spaans, Engels, Frans en Duits. De geuren van pastasaus en soep dringen m’n neusgaten binnen.

Snel geraken we aan de praat met Eduardo. Wat we komen doen? En of we tijd hebben in Punta Arenas? De meeste mensen namelijk niet, geeft hij aan. Ze willen alleen naar de pinguïns op Isla Magdalena en erna gaan ze weer verder. Ze stoppen hier niet langer dan een dag. ‘We hebben tijd’, zeggen we. De pinguïns willen we zien, natuurlijk wel, maar als Eduardo meer tips heeft, dan graag.

Niet veel later zitten we in de keuken van Eduardo, de eigenaar van het hostel.

Hij aarzelt niet en verdwijnt naar z’n bureau, om even later met een kaartje terug te komen. Hij duidt de weg aan, terwijl hij ons uitlegt wat we kunnen doen. Neem de bus om half 8 ‘s ochtends, stap af aan kilometer 64, wandel door tot de weg stopt en stap erna nog 2 uur, langs het strand tot aan de laatste vuurtoren van het Amerikaanse continent. En onderweg, zegt hij, kan je walvissen zien.

Het is hier 4 uur vroeger, dus om 6 uur opstaan, voelt als 10 uur aan. We smeren broodjes in de nog donkere keuken met behulp van een zaklamp en vertrekken naar het busstation. De wind snijdt in ons gezicht zodra we de deur openen. De zomer loopt hier op z’n einde, maar dat betekent hier eigenlijk 4 seizoenen in 1 dag. Een spel van sterke en koude wind, warme zon, regendruppels en ijskoude nachten met misschien wat eerste sneeuw.

Net als in de straten, is het leven aan het busstation nog niet echt begonnen. Een paar geeuwende mensen, op weg naar het werk, maar geen helse drukte, zoals we verwachtten. We halen het kaartje van Eduardo boven, zodat we kunnen zien welke bus we moeten nemen, maar nog voor we het kunnen bestuderen, vraagt iemand ons waar we heen gaan. ‘San Juan’, zeggen we, waarop hij een gele bus aanwijst, die vanuit de verte aankomt.

De lucht in de bus is koud bij het opstappen, de motor is nog maar net aangezet en dat voel je. Niet veel later rijden we met enkele andere passagiers het ontwakende landschap in. En daar gebeurt het voor het eerst: de chauffeur begint trager te rijden en roept : ‘BALLENAS’. Iedereen tuurt onmiddellijk naar links, waar de Straat van Magellaan glinstert in de opkomende zon. En inderdaad, in de verte komt een walvis boven en ademt. Het water dat daardoor opspuit, zie je tot heel ver. Ook dolfijnen spelen en springen enthousiast omhoog langs de kustlijn.

Nog nooit zag ik, rijdend in een bus, walvissen en dolfijnen in de zee.

Asfalt verandert in aarde, waar we nog een half uur verder op rijden. Dan stopt de bus. We stappen met zeven uit. In het midden van een aardeweg, zonder wegwijzers of mensen in de buurt.

Drie Chilenen lijken te weten waarheen en we besluiten dezelfde kant op te gaan. Het zal wel naar daar zijn. Twee meisjes blijven staan waar de bus ons afzette. We zetten aan op de aardeweg. 2 uur zou het zijn volgens Eduardo, voor de laatste weg op het Amerikaanse continent stopt en we verder langs het strand gaan.

Het eerste halfuur is ijskoud. De wind is sterk en moet de wolken nog wegblazen, voor de zon een beetje warmte kan geven. We bibberen verder, tot het wandelen ons opwarmt en ook de zon zachtjes aan door de wolken breekt. Na anderhalf uur wandelen, steken enkele auto’s ons voorbij. Mensen die de wandeling komen doen en met wie we misschien kunnen meerijden wanneer we willen terugkeren, denken we.

Het einde van de weg bestaat uit 5 auto’s en een stalletje, waar een vrouw enkele drankjes verkoopt en een boek bijhoudt, met de namen van de mensen op weg op het strand. Want de wind kan hier makkelijk snelheden tot 120 kilometer per uur halen. Patagonië op z’n best.

We gaan verder, richting vuurtoren, door het zand. En daar is dat onvoorspelbare weer opnieuw. Twee uur lang lacht het ons uit : ijzige wind, de zon erdoor en erna wat regendruppels. Regenjas aan, pufjasje uit, fleece ook uit, toch weer aan en ga zo maar door

Twee uur lang lacht het ons uit: ijzige wind, de zon erdoor en erna wat regendruppels.

We komen aan bij de vuurtoren. De drie Chilenen zijn er al. Zij zullen het eerste deel gelift hebben, denken we. Na ons komen ook de twee meisjes van op de bus puffend naar boven. We eten iets, de Chilenen vertrekken, het is muisstil aan de vuurtoren op de heuvel.

We horen de wind en dan plots, de ademhaling van de walvis. En nog één, en nog één en nog één. Een hele familie, vlakbij de vuurtoren, ze laten ons even meegenieten van hun tocht door de Straat van Magellaan. Hun rug en vin zien we even en dan duiken ze weer onder tot we ze in de verte niet meer kunnen zien. Deze zee is van hen, wij zijn hier op bezoek, hier behoort de wereld toe aan de walvis.

Celine aan het einde van de weg.

Na het hele schouwspel keren we terug, hopend op een rit naar Punta Arenas. Aan de parking staan de vijf auto’s er nog steeds, maar er is niemand te zien. We besluiten te stappen, terug naar waar de bus ons afzette. Als niemand ons wil meenemen, hebben we nog altijd één bus terug vanavond.

Niet veel later passeert de eerste auto, maar de vrouw in de passagiersstoel doet onmiddellijk teken dat ze niet zullen stoppen. Nog vier auto’s dus, op die parking. Nog vier kansen op een rit.

Het is nog 8 kilometer tot aan de plek waar de bus ons deze ochtend afzette.

We stappen verder. M’n voeten beginnen te branden, het is nog 8 kilometer tot aan de plek waar de bus ons deze ochtend afzette. Niet veel later horen we opnieuw het grind opspatten. Een auto! Ik steek m’n duim op. Misschien hebben we deze keer meer geluk. De auto stopt, een Chileense familie laat ons glimlachend instappen. De vraag waarheen we moeten, stellen ze niet. Je kan van hieruit eigenlijk alleen maar naar Punta Arenas, 40 kilometer verderop. Rijdend en pratend laten we deze magische plek achter. Het einde van de wereld, waar walvis koning is.

VRTNU VRTNU VRTNU