Spring naar inhoud

Treinen door Myanmar

geschreven op 23 juli 2018

Op het kleine perron heerst een aangename drukte. De lokale bevolking is al volop bezig met de orde van de dag. Een tiental Westerlingen zitten nog half slaperig voor zich te staren. Een luide hoorn weerklinkt. De trein rijdt gestaag het station binnen. De rit zal zo’n zeven uur duren. Daarom kopen we een eersteklasticket voor het dubbele van de prijs: geen anderhalve euro, maar drie.

door Rinke Cautaerts

Op het eerste gezicht lijkt het of de trein in geen jaren gereden heeft. Toch gaat hij iedere dag.

Ik hijs mezelf en mijn rugzak de wagon in. De stoelen in eersteklas hebben meer iets weg van afgedankte vliegtuigzetels die een tweede leven gekregen hebben. Op het plafond hangen ventilators, die duidelijk al jaren niet meer werken. Aan het bagagerek dwarrelen stofnetten en spinnenwebben naar beneden. De ramen staan wijd open en kunnen hoogstwaarschijnlijk niet meer dicht. Op elke lege stoel liggen kapot gesnipperde bladeren. Op het eerste gezicht lijkt het of de trein in geen jaren gereden heeft. Toch gaat hij iedere dag.

Ik leg mijn rugzak boven me op het stoffige bagagerek. Opnieuw weerklinkt een luide hoorn. De trein komt langzaam in beweging. Ook al gaan we niet sneller dan dertig kilometer per uur, de bagage op het rek wiegt heen en weer. Iedereen maakt snel met gespen zijn koffer of rugzak vast aan het rek. Ik word in mijn stoel van links naar rechts geschud, zoals een kledingstuk in een wasmachine. Van het monotone gewieg word ik slaperig. Achter me liggen twee boeddhistische nonnen alvast in dromenland. Mijn ogen vallen dicht. Maar ik word al snel gewekt. Een hele bos bladeren lijkt over me gesnipperd te zijn. Twijgjes liggen verspreid op mijn schoot. De beplanting langs de sporen krijgt door het voorbijrazen van de trein een stevige knipbeurt. Nu begrijp ik waarom mijn stoel vol bladeren lag. Ik probeer de groene confetti te negeren, maar ook de inwoners van de begroeiing springen in de wagon voor een kort bezoek. Mieren kruipen over mijn ontblote benen. Een kever zet zich vast op mijn schouder. Een andere passagier krijgt zelfs een gigantische sprinkhaan op zijn rug. Net wanneer ik dacht dat ik de hele beestenboel wel gezien had, zie ik iets vliegensvlug onder de stoel van de man voor mij lopen. Ik bedenk dat het mijn weelderige fantasie zal geweest zijn. Ik staar nog even naar de stoel. Het was toch mijn verbeelding niet. Uit de zetelbekleding komen twee pootjes en een snuit met snorharen tevoorschijn. Deze kleine muis is de echte bewoner van deze trein.

We rijden langs talloze rijstvelden en kruipen omhoog langs beboste flanken. Telkens we door dorpen rijden, komen de lokale mensen uit hun huis of kijken op vanop de velden. Ze laten vallen met wat ze op dat ogenblik bezig zijn en kijken gefascineerd naar deze roestige rups op rails. Ze wuiven en glimlachen breed. Het is voor hen een waar spektakel, net zoals dat voor ons was in de 19de eeuw. De Myanmarezen genieten van de kleine dingen die wij intussen als evident beschouwen. Nadat we over het bekende Goteikviaduct rijden, komen we enkele uren later aan in Pyin Oo Lwin. Ik schud voor de laatste keer de bladeren en insecten van me af, haal mijn bagage van het stoffige rek en verlaat de wagon.

VRTNU VRTNU VRTNU