Spring naar inhoud

Het ideaal van ‘the developed world’

geschreven op 19 maart 2017

Het ideaal van ‘the developed world’

Boven de markt van Ayilo vluchtelingenkamp duwt de zon koppig haar laatste zonnestralen door de onweerswolken. We hebben een kamer geregeld voor een aantal nachten in het basiskamp van Ayilo – een omheinde compound waar de hulpverleners soms overnachten.

door Julie Schilz

De 40km lange weg tussen Adjumani en Ayilo is stevig toegetakeld door de regen, dus het werd lastig om elke dag op en neer te rijden. En ik ben ook wel nieuwsgierig naar de avonden in het kamp. Blijkt dat valavond, wanneer we normaal al terug in de stad zijn, het mooiste moment van de dag is.

De markt

We slenteren zwijgend over de markt op zoek naar ingrediënten voor ons avondeten. De markt is niet bijzonder klein maar de diversiteit aan producten schaars. We passeren tientallen kraampjes vol tomaten en witte kool, en zoeken dan maar de tomaten uit die het mooist blinken. De meeste vluchtelingen klagen over de moeilijkheid om hier aan zaken te doen, want iedereen bezit ongeveer hetzelfde, weinigen hebben cash geld en niemand koopt bij elkaar.

Ik hoop dat ze niet zien dat zelfs bij deze lichte inspanning de zweetdruppels op mijn voorhoofd parelen.

“Khawaja khawaja! How are you?” Klinkt er vanuit één van de marktkraampjes. “Julie Julie!”. Diep vanbinnen juich ik: ze kennen m’n naam! Hoewel ik weet dat ik nog steeds ‘de blanke’ ben, haat ik het om er elke 5 minuten aan herinnerd te worden. Hardnekkig probeer ik me te distantiëren van de stereotypen. De volgende ochtend zou ik de auto laten staan bij het basiskamp en te voet naar de markt wandelen. “So you can also walk! Good!” roepen enkele vrouwen die langs de kant van de weg wonen op een toon die zowel verwonderd als ietwat lacherig klinkt. Maar ik zal de zon voelen branden op m’n schouders en ik zal hopen dat ze niet zien dat zelfs bij deze lichte inspanning de zweetdruppels parelen op mijn voorhoofd.

Hangjongeren en voedselketens

Op de hoek van de markt zit een groepje jongeren. In België zouden we ze waarschijnlijk hangjongeren noemen, maar hier hebben jongeren weinig anders te doen dan voetballen en rondhangen op de markt, en wordt hangjongeren als categorie irrelevant. “So how do people acquire land in your country?” Vraagt één van de jongens me. Het gebrek aan land is een groot probleem in de vluchtelingenkampen in Oeganda, waar mensen zo snel mogelijk zelfredzaam moeten worden. Het belangrijkste middel daartoe is gewoonlijk landbouw, maar in het noorden van Oeganda zijn het de gastgemeenschappen, en niet de overheid, die het land bezitten. De overheid leent daarom land van de lokale bevolking, die in ruil gebruik maken van het ziekenhuis en de scholen die gebouwd worden in de kampen.

“And why is it that you white people always come for only a few hours and then leave again?” “Ik kom hier als sinds 2014!”

Elke vluchtelingenfamilie krijgt zo een schamele plot van 30x30m toebedeeld, net voldoende om een hut of 2 op te bouwen en nog een paar groenten te telen die een welkome afwisseling bieden met een dieet dat doorgaans bestaat uit bonen, bonen en nog eens bonen. Van landbouw, surplus en zelfredzaamheid is hier geen sprake. Ik vertel hen dat het gros van de mensen in België niet echt land bezit, maar dat dat geen probleem is, want dat slechts een klein deel aan landbouw doet. Wat mensen dan hele dagen doen en waar ons eten dan vandaan komt, vragen ze zich af.

“And why is it that you white people always come for only a few hours and then leave again?” “Ik kom hier als sinds 2014!” werp ik verontwaardigd tegen. Maar ik weet dat ze gelijk hebben. De meeste blanken die het vluchtelingenkamp bezoeken zijn vertegenwoordigers van de hulporganisaties die komen kijken of ons ontwikkelingsgeld wel goed besteed wordt, en hun bezoeken kunnen bezwaarlijk langdurig genoemd worden. “So when are you going back to Europe?” vragen ze me. Binnen een paar weken, maar ik kom weer terug, verzeker ik hen. En ik besef dat hoe hard ik ook m’n best doe om hier op een andere manier te zijn, ik in hun ogen waarschijnlijk niet zoveel verschil van de andere bezoekers – komend en gaand wanneer ik wil; en dat ik bij m’n volgende veldwerk waarschijnlijk hetzelfde groepje jongeren al hangend op de hoek van de markt zal aantreffen.

De lasagne van mijn mama

Laatst nog toonde m’n onderzoeksassistent me foto’s van zijn ideaal van ‘the developed world’. Vier pagina’s vol wolkenkrabbers en georganiseerde verkeersdrukte in Dubai. “I wish that one day our Africa can become like that place of yours”. Ik probeer hem ervan te overtuigen dat de plek waar ik woon er helemaal niet zo uit ziet, en dat als dat wel zo zou zijn, ik er zelfs nooit zou willen wonen. Ik bedenk me dat ik volgende keer maar eens foto’s moet meenemen, van onze kust, van mijn tuin, van de weg die ik dagelijks naar het station fiets. Maar ik vraag me af of het een verschil zou maken. Want net zoals mijn verhalen en beelden die ik naar het thuisfront stuur slechts een verbleekte versie lijken te zijn van realiteit hier, te flauw om stereotypen te doorbreken, herinnert de moeilijkheid om hier over België te vertellen me aan de onvertaalbare kloof tussen deze twee werelden.

De onweerswolken worden dreigender en we keren terug naar het basiskamp. Eens binnen de omheining voel ik me mijlenver weg van de markt waar we zonet nog zaten. Onze buit bestaat uit tomaten, ui en groene paprika, die we mixen tot een groentenstoofpotje dat we eten met Chinese noedels uit een pakje en esh, een Zuid-Sudanees pita-achtig broodje. De locals lachen ons vaak uit met onze brouwsels: “You people just mix everything together”, en brood is toch helemaal geen echt eten. Het smaakt, maar die nacht, vermoeid van een hele dag koppig stereotypen afschudden, droom ik toch van de lasagne van mijn mama.

Khawaja: Arabische term die Zuid-Soedanezen gebruiken om te verwijzen naar buitenlanders, en in het bijzonder blanken. Equivalent van het beter bekende ‘mzungu’ in Swahili.

VRTNU VRTNU VRTNU