Spring naar inhoud

De vier elementen

geschreven op 21 april 2019

Acht uur ‘s ochtends. De bus baant zich al een uur een weg door het ontwakende landschap. De steppe, zeggen ze. Oranjerode grasvlaktes in de opkomende zon.

door Celine Willmore

Ik por Cédric in z’n zij: ‘kijk dan, lief!’, enthousiast wijs ik in de richting van enkele grazende guanaco’s. Cédric ontwaakt, wrijft in z’n ogen en kijkt even glimlachend mee, maar geeft het snel weer op. ‘Laat je me nog even slapen? Ik ben nog moe.’, vraagt hij, terwijl hij z’n hoofd terug neerlegt.

In 9 dagen willen we 130 kilometer afleggen door het nationale park.

Maar lang duurt de rust niet. De bus draait naar links en daar zien we plots, in het midden van de grasvlakten, afstekend tegen de felblauwe hemel: de bergketen met de granieten torens, hét embleem van Torres del Paine. ‘Aaaaaaahs’ en ‘Ooooooooohs’ schallen door de bus terwijl mensen naar hun fototoestel grijpen voor een eerste kiekje door het raam. Het begint te kriebelen en ik knijp in Cédric’s hand. Onze trektocht kan beginnen. Rugzakken tot de nok gevuld met een dikke slaapzak, matje, kookspullen, een paar warme kleren, een tent en véél eten. In 9 dagen willen we 130 kilometer afleggen door het nationale park, of dat hopen we te doen.

De veiligheidsvideo is eigenlijk meer een waarschuwingsvideo, waarin vooral wordt uitgelegd dat vuur maken, koken en roken buiten de aangeduide zone’s zwaar bestraft zal worden. Drie ongelukken met vuur zorgden in het verleden voor brandhaarden die 40% van het nationale park afbrandden. De vlammen likten aan de bomen en met een snelheid van tien meter per minuut, waaide de wind de vlammen alle richtingen uit.

De natuur doet z’n best te herstellen, maar die bossen zullen wij in ons leven nooit meer zien.

Het grind spat op wanneer de bus stopt. We zijn er. Eenmaal uitgestapt bevinden we ons in een zee van mensen en rugzakken. ‘Iedereen moet voor vertrek de veiligheidsvideo zien!’, roept een parkwachter naast ons, terwijl hij in de juiste richting wijst.

‘Ik wist niet dat het zo erg was, maar je ziet het overal’, zeg ik onder de indruk, terwijl we enkele roetzwarte bomen achter ons laten op het pad. Vanaf de eerste dag doorkruisen we geregeld plekken waar het vuur enorme schade heeft aangericht. Op sommige bomen zie je opnieuw groene blaadjes groeien. De natuur doet z’n best te herstellen, maar die bossen zullen wij in ons leven nooit meer zien. De bomen in Patagonië doen er zo’n 200 jaar over om volgroeid te zijn. De natuur laat zich niet opjagen.

De eerste keer water drinken uit een rivier, voelt raar aan.

‘Hebben we nog genoeg water?’, vraagt Cédric, terwijl we links van het pad een kleine waterval zien. ‘Laten we onze drinkbus vullen, je weet maar nooit’, knik ik. Nochtans is er in het park aan water geen gebrek, of meer bepaald, aan ijs. Torres del Paine ligt aan één van de grootste ijskappen ter wereld.

Ik gooi m’n rugzak aan de kant, schroef de dop van de drinkbus en hou m’n hand in het ijskoude smeltwater. Een eerste slok en de pijn in m’n hoofd maakt me onmiddellijk duidelijk dat dit water véél te koud is om snel te drinken. ‘Brainfreeze’, schreeuw ik, terwijl ik met m’n hand tegen m’n voorhoofd duw.

De eerste keer water drinken uit een rivier, voelt raar aan. We zijn het niet gewoon en bij de eerste slok, komt de angst toch even boven. Stel dat we ziek worden, midden in het park ? Ik duw die gedachte even snel weg als ze in m’n hoofd gekomen is. De parkwachters hebben ons immers verteld dat het stromend water overal drinkbaar is. ‘Ik heb zo weinig vertrouwen in de natuur’, denk ik bij mezelf. Confronterend.

‘Het landschap is hier elke dag zo verschillend.’ Cédric schudt z’n hoofd vol ongeloof.

‘Gaat het nog ?’, vraagt Cédric, terwijl hij de helling probeert de bedwingen. We zijn voor zeven uur ‘s ochtends vertrokken, zaklamp in de aanslag om het pad te vinden. Na zeven uur, sluit het pad, want iedereen moet voor de middag de bergpas over zijn. Een beklimming van drie tot vier uren. Kom je later aan het pad aan, dan moet je tot de volgende ochtend wachten om aan de beklimming te beginnen. Deze pas komt rechtstreeks uit op een gletsjer en staat bekend voor z’n zware stormen, die vanaf de middag opzetten.

‘Het gaat’, hijg ik. Meer zeg ik niet, ik wil de lucht in mijn longen sparen voor de steile helling. Ik kijk naar boven. We zijn er nog niet. Het ritmisch getik van de wandelstokken tegen de rotsen en onze ademhaling zijn de enige geluiden die ons naar boven begeleiden.

Eenmaal boven, blauwe hemel, geen zuchtje wind en één van de meest adembenemende zichten van het hele park. Glaciar Grey, een immense ijsvlakte, één van de uitlopers van de Patagonische ijskap, ligt voor ons. We hebben geluk. Dat weten we. En dat weten we nog meer, wanneer een sterke wind de volgende dag opsteekt. Die dag zeggen we meermaals tegen elkaar : ‘Gelukkig steken we nu de pas niet over

‘Het landschap is hier elke dag zo verschillend.’ Cédric schudt z’n hoofd vol ongeloof, wanneer het pad naar links afbuigt en een hele nieuwe vallei voor ons ligt. Een appelblauwzeegroen meer glinstert in de zon. Het klopt wat hij zegt. Het is alsof de aarde ons hier elke dag een andere wereld laat binnengaan. Chileens Patagonië in al haar facetten.

Negen onvergetelijke dagen, ontelbaar veel gevoelens.

‘Amai, dit vergeet ik nooit.’ Cédric ploft naast me neer in de stinkende bus. Iedereen hier is net zoals wij, al dagen onderweg in dezelfde kleren. Het laatste half uur hebben we moeten lopen om de bus te halen. We kijken elkaar lachend aan. Negen onvergetelijke dagen, ontelbaar veel gevoelens. Blijdschap, we hebben deze top gehaald, het gevoel zo klein te zijn tegenover de natuur, het gevoel jezelf te overstijgen, wanneer je de berg overwint, verwondering: ‘Wow, waar ben ik eigenlijk?’, samenhorigheid met de mensen die je tegenkomt en letterlijk al hun eten, gas en blarenpleisters met je delen.

Een pijnlijk gevoel, stijve spieren, overal jeuk en muggenbeten, doorbijten, er bijna zijn en dan toch niet. Geen internet, geen bereik, niet kunnen opzoeken welk weer het morgen zal zijn. Grappige situaties, ijskoude douches, slecht slapen, koude nachten. Een angstig gevoel, wanneer de gletsjer kraakt en je de lawine ‘s nachts tot in je tent hoort bulderen op de berg, of de wind die je bijna van de hangbrug blaast. Irritatie, geen zin, wanneer het ‘s ochtends pijpenstelen regent en je toch de tent uit moet, want het water loopt naar binnen. Maar boven alles toch die allesomvattende voldoening.

Cédric kijkt me vermoeid aan en ik voel wat hij wil zeggen: ‘Wat een ervaring, WAT EEN ERVARING!’ Ik knijp in z’n hand en leg m’n hoofd op zijn schouder. Veel guanaco’s hebben we niet gezien op de terugweg. We sliepen.

VRTNU VRTNU VRTNU