Spring naar inhoud

Bidibidi: weldra het grootste vluchtelingenkamp

geschreven op 09 januari 2017

We steken met de ferry de Nijl over naar Yumbe district. Over het water waait een tropisch windje. We eten popcorn en drinken lauwe cola. De weg aan de andere kant is groen en heuvelachtig, en in de auto worden ABBA hits vlotjes afgewisseld met Congolese Lingala deuntjes. Na weken in het platte en eerder kale Adjumani, waar ik ondertussen met mijn ogen dicht de putten in de weg kan ontwijken, heb ik weer het gevoel een stukje van de wereld te ontdekken.

door Julie Schiltz

We zijn op weg naar Bidibidi, een nieuw vluchtelingenkamp en tegenwoordig dé hotspot in de hulpoperatie voor Zuid-Soedanese vluchtelingen in Oeganda. Sinds december 2013, de start van het conflict in Zuid-Soedan, staken meer dan 600.000 vluchtelingen de grens over naar Oeganda. De meeste worden opgevangen in Adjumani district -ook mijn uitvalsbasis- maar na een recente opflakkering van geweld in Zuid-Soedan in juli dit jaar, kon men daar de plotse toestroom niet de baas. Er werd een nieuwe noodoperatie opgezet aan de andere kant van de Nijl.

Wir schaffen das

Daar in Bidibidi zie je wat een échte noodsituatie is, zo gingen de geruchten. In tegenstelling tot in Adjumani waar vluchtelingen wonen in een 20-tal kleinere kampen verspreid over het district, huisvest Bidibidi meer dan 250.000 mensen. Daarmee steekt Bidibidi waarschijnlijk heel binnenkort het Keniaanse Dadaab voorbij als grootste vluchtelingenkamp ter wereld.

Na meer dan twee uur rijden wijken we af van de hoofdweg en volgen er enkele kilometers een net aangelegde zandweg tot er in de verte witte tenten opduiken. Achter een gigantische omheining bevindt zich het transitcentrum, waar mensen één nacht slapen voordat ze een stukje land in de kampen krijgen. Die middag worden 2700 nieuwkomers verwacht. Op een houtvuur staan bonen te pruttelen in gigantische kookpotten. Er liggen stapels matten en dekens klaar en straks zal iedereen perfect weten hoe zich nuttig te maken. Tientallen auto’s, bussen en trucks passeren elkaar op de vers uitgegraven zandwegen, en aan niets is te merken dat hier drie maanden geleden nog geen weg was. De markt aan de rand van de kampen ziet haar business boomen als nooit tevoren, en overal zijn mensen in de weer. De bureaus van de hulporganisaties bestaan uit niet meer dan ad-hoc opgetrokken tentjes met wat houten bankjes. Maar dat is niet erg, want alles en iedereen straalt het vertrouwen uit dat het allemaal wel goed komt. Het is net de bedrijvigheid en onvolmaaktheid van dingen, eigen aan de noodtoestand, die iets geruststellends heeft. Er is nog ruimte voor verbetering en er is ergens iemand mee bezig. Wir schaffen das.

Ik denk terug aan wat de jongeren die ik volg voor mijn onderzoek me vertelden toen ze anderhalf jaar geleden de grens overstaken. Ze hadden 101 vragen over wat hen te wachten stond, maar waren ook opgelucht en hoopvol. Dat ze veilig zouden zijn, naar school zouden gaan, dat er op z’n minst gezondheidszorg zou zijn, en voldoende eten. Ze waren ervan overtuigd dat de hulporganisaties wel voor hen zorgen, want wat doen zij hier anders? Niemand overwoog snel terug te keren naar Zuid-Soedan. Ooit misschien, ja, maar zolang er oorlog is?
Vandaag, anderhalf jaar later, krijgen ze nog maar de helft van hun maandelijkse rantsoen – net genoeg om twee weken hun magen mee te vullen. In de ziekenhuizen zijn amper medicijnen en mensen met gezwollen enkels of oorpijn krijgen malariapillen, want die zijn er toevallig wel. Vergeleken met de vorige keer dat ik hier was, toen alles zich nog in Adjumani afspeelde, liggen de wegen er in de oudere stukken van het kamp eerder verlaten bij. Hier en daar staan ingezakte constructies, een herinnering aan de tijd dat tenten nog wit waren. Van de bedrijvigheid die er ooit was blijft nog weinig over, en van de hoop die ze ooit hadden nog minder. Nu Bidibidi er is, moeten schaarse middelen over nog meer nederzettingen en mensen verdeeld worden, en in een noodtoestand zijn sommige levens nu eenmaal meer waard dan andere. Enkele jongeren keerden terug naar Zuid-Soedan, hoewel het er allesbehalve veilig is. Eén van hen stuurt me via Facebook dat het leven in de kampen hem te lastig was geworden. Dat het onmogelijk was er nog langer te blijven.

Ik wil hen waarschuwen dat ze dag in dag uit bonen zullen eten, tot er op een dag te weinig eten zal zijn.

Witte tenten

Het is zeven uur wanneer we met de laatste ferry de Nijl oversteken, terug naar Adjumani. De oranje kleur van de zonsondergang weerspiegelt in het blauwe Nijlwater. Het is zonder twijfel één van de mooiste zonsondergangen die ik ooit zag, en net als die ochtend heb ik weer het gevoel een stukje van de wereld te ontdekken.

We kruisen bussen en trucks die mensen van de grens naar het transitcentrum brengen. Ik wil hen waarschuwen, dat wat ze nu zien slechts van korte duur is, dat dit zo goed is als het wordt. Dat ze dag in dag uit bonen zullen eten, tot er op een dag te weinig eten zal zijn. Dat er wel basisonderwijs is, maar daarna vooral frustratie. Dat velen er straks weer weg zullen willen. Dat er langzaam maar zeker gaten zullen komen in de witte tenten die voor bescherming moeten zorgen. Dat ze onderweg zijn naar een plek die alle hoop uit je lijf zuigt.

En daar op de ferry, starend naar de stukjes mos die op het wateroppervlak dobberen, weet ik weer dat de wereld niet aan iedereen z’n voeten ligt, en dat er voor sommigen nu eenmaal betrekkelijk weinig plekken in de wereld zijn om te mogen ontdekken.

VRTNU VRTNU VRTNU