Spring naar inhoud

Arm in Kathmandu

geschreven op 08 april 2017

Arm in Kathmandu

“Sir, sir! Let me clean it!” Plots grijpt een tengere man m’n voeten vast. Ik verschuif ze en trek de man recht. “Please, let me clean your boots”, gaat hij verder, ” I’m very hungry.” Ik stel hem voor om samen wat rijst te gaan halen uit een winkeltje. Onderweg leer ik de man, Ramis, beter kennen. Hij vertelde me dat hij niet altijd in deze armoede leefde.

door Yassine Atari

Voor de aardbeving leefde hij met zijn vader, die een rijke buffelhandelaar was. Om zijn oude rijke levensstijl te bewijzen, laat hij me foto’s zien die hij in een verfrommelde plastic zak meedroeg. Op de foto staat hij samen met zijn vrouw en zoon in mooie kledij en met op de achtergrond een mooie grote woonkamer.

Na de aardbeving stortte hun huis in. Zijn vader was op slag dood, zijn zoon raakte zwaargewond aan zijn arm en de rest van het gezin liep enkele kneuzingen op. Het gezin vergleed in extreme armoede. Zes maanden leefden ze in een bamboe hut op de ruïnes van hun vorige huis en nu wonen ze in een sloppenwijk aan de rand van van de stad.

Met een zak vol rijst en wat basisbenodigdheden sleurt Ramis me door de binnenstraatjes van Kathmandu. Hij wil koste wat het kost dat ik zijn gezin ontmoet. Onderweg laat hij me wat ingestorte gebouwen en andere sporen van de aardbeving zien. “De Nepalese overheid doet niets,” roept hij uit. “Allemaal corrupt. Ze steken alles in hun eigen zakken.” De internationale gemeenschap heeft miljoenen euro’s aan donaties geschonken, maar tot op vandaag lijkt er bijna niets verandert. Twee jaar na de aardbeving zijn er nog steeds ingestorte gebouwen, ligt er gruis op straat, zijn de tempels nog niet heropgebouwd en leven er mensen nog steeds tussen de zwerfhonden. We passeren het oude huis van Ramis. Het is te zeggen, we komen voorbij het puin wat ooit zijn huis was. Hij blijft er 5 minuten staan en na een gebed wandelt hij in stilte verder.

De Nepalese overheid doet niets, roept Rami uit. Volgens hem zijn ze allemaal corrupt. Ze steken alles in hun eigen zakken.

We komen aan in een sloppenwijk aan de oever van de Bagmati rivier. Ramis loodst me binnen in een van de huisjes, tenminste als we het een huisje kunnen noemen. Het is meer een leefruimte met een klein fornuis en twee bedden. De muur is versierd met kleurrijke hindoeposters en tegen het plafond hangt een zeil tegen de regen. Veel meer dan dit is het niet. Geen stoelen, geen tafels en geen badkamer. Ramis woont hier met zijn vrouw, zijn zoon Rajan zijn moeder en schoonzus.

Terwijl Rajan thee zet, begint Ramis te rommelen in een van de kasten. Hij overhandigt mij een paar bruine envelopes met in rode hoofdletters ‘HOSPITAL’ op. Samen met hem bekijk ik de röntgenfoto’s die ze hadden genomen van zijn zoon Rajan. Een paar complexe breuken die verholpen zijn met een paar metalen pinnen. Rajan ontbloot zijn bovenarm om een lelijk litteken te onthullen. De bewegelijkheid in zijn arm is niet meer zoals voorheen, maar dat weerhoudt hem niet om zijn hobby te blijven uitoefenen. Hij houdt ervan om met schilderen bezig te zijn en het helpt hem zijn precisiebewegingen terug te oefenen. Ze hebben geluk gehad dat de fysieke schade zo beperkt was. Duizenden Nepalezen lieten het leven bij de instortingen.

Plots zie ik een vrouwelijke veiligheidsagent haar knuppel trekken en hem herhaaldelijk slaan.

Ramis moet vier mensen onderhouden met een loontje van 2 euro per dag. Elke dag strijdt hij om te overleven. Vaak worden ze ook afgestoten door mensen die het wat beter hebben. Dat merk ik bijvoorbeeld wanneer Ramis mij terug naar de hoofdweg leidt. Ik stop om mijn veters te strikken terwijl hij wat verderop loopt. Plots zie ik een vrouwelijke veiligheidsagent haar knuppel trekken en hem herhaaldelijk slaan. Ik loop ernaartoe en trek de knuppel uit haar hand. “He’s with me! Leave him.” Ze neemt haar knuppel terug en loopt snauwend weg. Ik vroeg Ramis wat hij had gedaan. Zijn antwoord was: “Nothing. I’m just poor.”’

VRTNU VRTNU VRTNU