Spring naar inhoud

J. Edgar

geroemd, omstreden, mysterieus

© wikipedia
geschreven op 06 november 2015
J. Edgar Hoover

John Edgar Hoover was de eerste directeur van het Federal Bureau of Investigation, of de FBI. En bleef dat tot aan zijn dood, op 77-jarige leeftijd.

In de eerste plaats wordt Hoover geloofd voor zijn werk. Hij maakte van de FBI een groot, misdaad bestrijdend agentschap en moderniseerde politiewerk en -technieken. Het Amerikaanse centrale systeem waarin alle vingerafdrukken van de burgers zitten, bestaat dankzij hem. Net zoals forensische laboratoria.

Maar Hoover was - en is dat eigenlijk nog steeds - een controversieel figuur. Op latere leeftijd, tot na zijn dood, kwam aan het licht dat hij zijn macht misbruikte. Hij stak de grenzen over die de bevoegdheden van de FBI omlijnden, hij gebruikte de FBI om politieke tegenstanders lastig te vallen en zelfs te chanteren en hij verzamelde bewijs op niet zo heel legale manieren.

Anti-socialistische propagande in de New York Evening Telegram, 1 november 1919

Hoe het begon: the Justice Department

Meteen na zijn studies werd Hoover aangenomen door het Justice Department, het huidige Department of Justice. Al heel snel werkte hij zich naar de top en werd aangesteld als directeur van de spionageafdeling van het Bureau of Investigation, de voorloper van de FBI. Die afdeling werd in de wandelgangen de Radical Division genoemd, omwille van de taak om binnenlandse radicalen te volgen en waar nodig hun werk te verstoren.

Het was 1919 en de eerste Red Scare, de angst voor anarchisten en bolsjewieken, kwam op gang. Hoover en zijn team hadden werk genoeg.

Hoover volgde, betrekkelijk fanatiek, heel wat linkse Amerikanen. Met als doel hen te arresteren, straffen of zelfs te deporteren. Zijn lijst met staatsgevaarlijke personen was lang. Onder andere aangevuld met Marcus Garvey, de later door Burning Spear bezongen Jamaicaanse activist die opkwam voor de rechten van Afrikanen en de pan-Afrikaanse droom nastreefde.

De jacht van Hoover op links denkende activisten en anarchisten bleek een succes te zijn: in 1924 werd hij aangesteld als directeur van het Bureau of Investigation. Het is daar dat zijn grillige persoonlijkheid begon op te vallen.

Hoover zat er niet om verlegen om zijn agenten te ontslaan met redenen zoals "they looked stupid like truck drivers" of omdat hij ze "pinheads" vond. Ook als je de carrière van de man in de weg stond, zijn imago beschadigde of simpelweg iets zei of deed wat hem niet aanstond, kon hij je de weg naar de deur wijzen. Een voorbeeld daarvan is Melvin Purvis.

Melvin Purvis

Purvis was één van de beste agenten van het Bureau. In de jaren dertig maakte hij naam door beruchte gangsters en maffiabonzen te arresteren of zelfs neer te schieten.

Hij groeide binnen afzienbare tijd uit tot een volksheld. Purvis was zo populair dat Hoover jaloers werd en hem op slinkse wijze uit het agentschap werkte.

Purvis' bekendste acties waren de vervolgingen en arrestaties van gangsters zoals Pretty Boy Floyd en John Dillinger. Zo'n bekende wapenfeiten dat ze zelfs verfilmd zijn, alle twee in de film Public Enemies, waarin Purvis gespeeld wordt door Christian Bale en Dillinger door Johnny Depp.

De achtervolging van Pretty Boy Floyd is trouwens één van de eerste scènes van die kaskraker. Let ook op de geweldige soundtrack, Ten Million Slaves van Otis Taylor.

Hoover had de neiging om spectaculaire arrestaties van grote namen op zijn palmares te schrijven, hoewel hij in de meeste gevallen zelfs niet aanwezig was tijdens de aanhoudingen. Dat weerhield hem niet om naar de pers toe te communiceren dat hij de held was.

Calling All Boys, n° 14, november 1947

En Amerika zou Amerika niet zijn als het land z'n helden niet op handen zou dragen. Hoover verscheen - volgens geruchten die toen binnen de het Bureau ontstonden op eigen vraag en tegen betaling - dan ook regelmatig als held in populaire comics, van uitgaven door Marvel over All Star Comics naar DC Comics.

De agenten en bezigheden van het Bureau spraken zelfs zo tot de verbeelding - hoewel het geld van Hoover er ook voor iets tussen kon zitten - dat ze hun eigen stripmagazine kregen: G-Men Magazine. Waardoor "Hoover and his G-Men" ook in overheidskringen een standaarduitdrukking werd.

G-Men Magazine, 'Crown Prince of Doom', januari 1939

Hoover op dreef: de FBI

Hoover verscheen dan wel als held in stripboeken, maar ondertussen moest hij nog steeds criminaliteit bestrijden. Dankzij zijn drang om informatie te verzamelen - lees: zo veel mogelijk persoonlijke gegevens en bewijsmateriaal - boekte hij spectaculaire resultaten. Met in 1935 het ontstaan van de FBI tot gevolg.

De FBI breidde meteen uit. De afdeling Identificatie verzamelde massa's vingerafdrukken - tot op vandaag nog steeds de grootste verzameling - en het FBI Laboratory ontstond. Enfin, het labo werd uitgebreid en kreeg een professionelere omkadering. Het bestond al in 1932, om bewijsmateriaal te onderzoeken en analyseren, maar slechts in een heel basic vorm. In de film brengt Hoover in '32 het labo in de rokers- en ontspanningsruimte onder. Vanaf het ontstaan van de FBI krijgen de wetenschappers hun eigen gang en de klassieke witte labojassen.

Met meer geld, bevoegdheden en expertise kon de FBI ook meer informatie verzamelen. Iets waar Hoover gretig gebruik van maakte. Hij liet o.a. dossiers aanleggen over de amoureuze escapades van overheidsleden - van de procureur-generaal tot presidenten en hun First Ladies. Na zijn dood zouden die dossiers vernietigd zijn, dus veel bewijsmateriaal van hun bestaan is er niet.

Maar dat Hoover presidenten onder druk kon zetten, dat overheidsleden bang waren voor wat Hoover kon doen, weten we zeker. Zo gaf president Nixon in 1971 toe dat hij bang was om Hoover te ontslaan omwille van de informatie die de directeur over hem bezat.

COINTELPRO

Hoovers verzamelwoede en strijd tegen het communisme bereikte een hoogtepunt met COINTELPRO, het COunter INTELligence PROgram. COINTELPRO was een reeks - toen nog - illegale projecten en onderzoeken om vooral communisten een hak te zetten.

De FBI verzamelde - lees: stal - vanaf 1956 documenten van verschillende media en pluisde het privéleven van "subversieve figuren" uit. Al die informatie werd voor het eerst gebruikt om de Communist Party uit elkaar te doen vallen. Daarvoor volgde Hoover activisten, burgers, maar ook grote namen zoals Charlie Chaplin, wiens werk als communistische propaganda werd beschouwd.

Het lichaam van Fred Hampton

Later pakte Hoover ook organisaties zoals de Black Panther Party aan en begon hij een smeercampagne tegen Martin Luther King, Jr.

COINTELPRO ging heel ver. Zo werd Fred Hampton, woordvoerder van de Black Panther Party, door de lokale politie van Chicago vermoord. Als onderdeel van een COINTELPRO-operatie.

De FBI kon COINTELPRO geheim houden tot 1971. Toen brak een select groepje activisten, onder de naam Citizens' Commission to Investigate the FBI, in de FBI-kantoren in. Alle documenten die ze konden vinden, namen ze mee.

Heel wat nieuwsmedia weigerden het verhaal te brengen, uit angst voor Hoover en z'n FBI. Toch kwam het bestaan van COINTELPRO aan het licht en kreeg de FBI zijn eerste zware klap. Hoover verklaarde meteen dat COINTELPRO werd opgeheven, maar de imagoschade voor hem en zijn Bureau bleef enorm. De tijden van de heldendaden in stripboeken waren nu écht voorbij.

De FBI werd voor de rechter gedaagd en nog meer bezwarend materiaal werd ontdekt.

Tegelijk voerde het Bureau ook zelf onderzoek uit naar de inbrekers. In 1976 werd het onderzoek stopgezet en de identiteit van de leden van de Citizens' Commission to Investigate the FBI bleef geheim. Tot begin 2014, toen vier van de acht leden toestemming gaven om geïnterviewd te worden. Naar aanleiding van het boek The Burglary: The Discovery of J. Edgar Hoover's Secret FBI, geschreven door Betty Medsger. Medsger was de journaliste die de informatie van de inbrekers kreeg en het hele verhaal in 1971 in de Washington Post lekte.

Hoover: de mens

Van J. Edgar Hoover, de directeur van de FBI, zijn er veel verhalen gekend. En minstens evenveel geruchten. Het was geen makkelijke man, hij bewaarde heel wat geheimen en kon druk uitoefenen op eender wie.

Maar van J. Edgar Hoover, de mens met ook nog een privéleven, weten we nog minder. Hij werd op 1 januari 1895 geboren, in een vooraanstaande familie met Engelse, Duitse en Zwitserse roots. Zonder geboortecertificaat, nochtans toen al verplicht. Hoover z'n certificaat werd pas in 1938 ingediend, toen hij al 43 was.

Hij groeide op in Washington, D.C., waar hij ook naar school ging. Daar zong hij in het koor, nam deel aan het trainingsprogramma om later officier in het leger te worden en zat in de debatclub, waar hij tégen het stemrecht voor vrouwen oreerde en tégen de afschaffing van de doodstraf. Met succes: de schoolkrant loofde zijn "cool, relentless logic".

Hoover bleek ook een hevig stotteraar te zijn. Iets wat hij zichzelf afleerde door zo snel mogelijk te praten. Wat hem de bijnaam Speed opleverde. Hij praatte immers zo snel dat typisten moeite hadden hem bij te houden.

Toen hij 18 was, kreeg Hoover z'n eerst baan. Bij de Library of Congress. Een baan die hem zou veranderen. In 1951 schreef hij in een brief: "This job (...) trained me in the value of collating material. It gave me an excellent foundation for my work in the FBI where it has been necessary to collate information and evidence".

Een jonge Hoover (21), in het jaarboek van de George Washington University Law School, 1916

Verder weten we niet zo bijster veel over Hoovers privéleven. Hoewel er wel veel theorieën, speculaties en geruchten bestaan over z'n liefdesleven.

Hetero, homo of aseksueel?

Hoover is een man van veel mysteries. Maar het grootste mysterie, waar het meest over werd geroddeld en gespeculeerd, is zijn seksuele geaardheid.

Sinds de jaren '40 van de vorige eeuw, werd er van uitgegaan dat Hoover homo was. Wegens zijn uiterste hechte relatie, officieel niet meer dan een vriendschap, met zijn rechterhand Clyde Tolson.

Hoover (links) en Clyde Tolson (rechts)

Hoover omschreef Tolson steevast als z'n alter ego. De twee mannen waren alle twee single, droegen dezelfde kleren, aten samen, gingen samen op vakantie en gingen 's avonds samen uit.

In de film wordt gesuggereerd dat Hoover en Tolson van elkaar hielden. Zoals in "verliefd zijn". Maar omdat Hoover een relatie met een man niet vond kunnen, hing er een amoureuze, soms seksuele, spanning tussen de twee heren.

Een reden om aan te nemen dat Hoover géén homo was - of misschien net wel - was zijn intense afkeer van holebi's. Ook zij behoorden tot één van de grootste gevaren voor de Amerikaanse samenleving. Hoover bedreigde ook iedereen die insinuaties maakte over zijn homoseksuele voorkeuren.

Verder gingen er - nog tijdens zijn leven - geruchten de ronde dat Hoover relaties had met actrices Dorothy Lamour en Lela Rogers - jawel, de moeder van Ginger Rogers.

En omdat Hoover eigenlijk nooit repte over enige amoureuze betrekkingen, van welke aard ook, bestaat er ook een vermoeden dat hij aseksueel was.

Maar een relatie met Clyde Tolson blijft de meest aannemelijke theorie. Ze weken niet van elkaars zijde, Tolson erfde alle bezittingen van Hoover en nam de Amerikaanse vlag in ontvangst op die laatste z'n begrafenis - een eer die doorgaans is weggelegd voor wederhelften.

Ook journalist Anthony Summers, die in 1993 de ondertussen meest geciteerde biografie van Hoover schreef, vindt die theorie de meest logische. Hij verzamelde verschillende verhalen van mensen uit Hoovers vriendenkring die weinig aan de verbeelding overlaten: van cross-dressing tot het lakken van Tolsons nagels. Hoover zou het allemaal gedaan hebben.

Actrice, zangeres en vriendin van Hoover, Ethel Merman, vertelde in een interview in 1978: "Some of my best friends are homosexual. Everybody knew about J. Edgar Hoover, but he was the best chief the FBI ever had".

Wat de waarheid ook moge zijn: Hoover had zijn geheimen. Als directeur van de FBI, maar ook als mens. Hij mag bejubeld worden, dankzij hem is politiewerk wat het vandaag is. Hij mag veracht worden, hij maakte schandelijk misbruik van z'n positie. Maar nog meer mag hij verfilmd worden. Zoals in J. Edgar, geregisseerd door Clint Eastwood en subliem gespeeld door Leonardo DiCaprio.

VRTNU VRTNU VRTNU