Spring naar inhoud

Dijf Sanders in Java


In opdracht van Europalia trok multi-instrumentalist Dijf Sanders dit voorjaar naar Java, op zoek naar het geluid van het Indonesische eiland. Hij verzamelde er een indrukwekkend arsenaal aan opnames die een plaats vonden op zijn nieuw album JAVA. Bij ons vertelt Dijf over het maken van veldopnames en de geluiden die hem het meest inspireerden in zijn recentste zoektocht naar nieuwe, exotische klanken. Dj, een portie kikkersymfonieën en waterpercussie graag!

-Je werd door Europalia uitgenodigd om naar Java te gaan. Wat was de bedoeling van die reis?

Dijf Sanders: “De bedoeling van de reis was om het muzikaal cultureel erfgoed van Indonesië in kaart te brengen en dat voor Westerse oren te filteren. Europalia wilde daar het maximum uithalen qua creativiteit. Ze gaven mij carte blanche omdat ze van mijn vorig album, Moonlit Planetarium, wisten dat ik tot het uiterste ga in het manipuleren van klanken. Wat ze precies van mij verwachtten, weet ik nog altijd niet. Maar ik heb iets gedaan en het is OK!”

-Hoe begin je aan zo’n avontuur?

Dijf Sanders: “Op voorhand dompel ik me nooit onder in de cultuur, omdat ik dan het gevaar loop om op het moment zelf niet verwonderd te zijn. Op dat vlak ben ik nogal een gevoelsmens. Ik laat alles aan het toeval over, uitgenomen het technische aspect. Ik ben maanden, eigenlijk al een jaar op voorhand bezig met het uitdokteren van de technische aspecten. Welke field recorder ik meeneem, welke micro’s, hoe ik alles ga doen. Maar eigenlijk ben ik vooral lang bezig geweest met het zoeken naar mijn ideale gids. Die heb ik gevonden in de persoon van Palmer Keen. Java is veel te groot om op twee weken tijd zo’n grote groep van muzikanten te vinden. Zeker als je de taal niet spreekt.”

-Wie is die Palmer Keen?

Dijf Sanders: “Palmer Keen is een Amerikaanse muzieketnoloog die in Java woont. Keen heeft een website, Aural Archipelago, die Indonesië muzikaal in kaart brengt. Hij heeft op zijn site letterlijk een kaart met dots die je kan aanklikken. Dan zie je welke muzikant, artiest of instrument hij ontdekt heeft. Aan de hand van die kaart heb ik aan Keen doorgegeven welke weg ik wilde bewandelen, langs welke instrumenten. Hij heeft voor mij een route van twee weken uitgestippeld.”

-Naar welke geluiden wilde je op zoek gaan?

Dijf Sanders: “Voordien zat ik met een overdreven romantisch beeld in mijn hoofd: dat van de Westerse blanke man die in de jungle terechtkomt en zich laaft aan exotische geluiden. Maar we leven in 2017! Veel jungle is er niet meer en pure natuurgeluiden zijn redelijk zeldzaam geworden.”

-Heb je geen enkel bijzonder natuurgeluid kunnen opnemen?

Dijf Sanders: “Het was moeilijk. Zo is er een soort hagedis die in Java heel populair is, maar die heel moeilijk op te nemen is omdat hij maar weinig lawaai maakt. En als hij dan al eens lawaai maakt, doet hij het welgeteld 3 keer. Ze noemen het dier ter plaatse toke, omdat hij effectief drie maal ‘toke’ roept. Het wordt aangekondigd met een soort geratel, en dan weet je: nu volgt er toke, toke, toke. Je hoort dat een paar keer per dag. Ik heb geprobeerd om het op te nemen maar het is me uiteindelijk niet gelukt.”

-Alleen maar stille en bescheiden dieren op Java dus?

Dijf Sanders: “Neen! Ik heb wel het geluid opgenomen van een aardkrekel, dat waanzinnig luid en constant is. Zo’n ‘mole cricket’ maakt een tunnel in de grond en blijft daar wachten tot er een vrouwtje komt. Het dier maakt de hele nacht door een typisch geluid. De meeste krekels die wij kennen geven een puls, maar hij niet. Hij loeit één heel luide sirene die altijd hetzelfde niveau haalt. Dat stopt alleen als je je vinger in zijn holletje steekt. Maar zodra je die weer weghaalt, begint het opnieuw. Ik kon van zijn geluid makkelijk een synthesizerklank maken. De sound van de krekel zit in het nummer Banyumas en is redelijk aanwezig. ☺ Ik heb voor die track een hele hoop natuurelementen met elkaar gecombineerd: insecten en ook water. Zo kreeg ik de kans om met vijf mooie, oude vrouwen in een meer te gaan staan en waterpercussie-partijen op te nemen. Ze doen dat al verschillende generaties lang terwijl ze in de rivier hun kleren staan te wassen. Ze bedachten gaandeweg percussieklanken die mooi resoneren met het water. De track begint met een waterpercussieloop.

Banyumas:


Het was ook een heel leuke ervaring om ‘s nachts door de rijstvelden te lopen. Dan krijg je een waanzinnige kikkersymfonie van heel veel soorten moeraskikkers die door elkaar brullen en die zich proberen te laten gelden. Dat vond ik wel heel speciaal.”

-Welk moment is je het meest bijgebleven?

Dijf Sanders: “Af en toe heb je toch nog een stukje jungle dat een paar uur later uitkomt op een rijstveld dat waanzinnig idyllisch is. We hebben een lange trektocht gedaan door zo’n stuk jungle, over canyons met smalle wandelpaden en fantastische zichten. Dat is me heel erg bijgebleven.”

-Heb je tijdens die tocht ook opnames gemaakt?

Dijf Sanders: “Neen, ik heb rondgetrokken met een gigantische rugzak op mijn rug die tot boven toe gevuld was met elektronica. Die moest altijd heel goed ingepakt zijn en beschermd worden tegen vocht. Er was een luchtvochtigheid van 90%. Ik kon mijn materiaal niet zomaar snel boven halen als er zich plots iets voordeed. Dat is wel jammer. Ik heb er in een waanzinnig coole onweersstorm gezeten die ik supergraag wilde opnemen, maar ik zag het niet zitten om al mijn materiaal daaraan bloot te stellen.“

-Welke geluiden waren makkelijker te vinden en op te nemen?

Dijf Sanders: “Vooral het geluid van inheemse instrumenten die van bamboe gemaakt zijn. Bamboe-instrumenten alom! Bamboe is de belangrijkste bron van het eiland. Het is hun staal! Het groeit snel, het groeit overal en ze maken er alles mee: stoelen, tafels, huizen, alle soorten gereedschap én instrumenten. Bamboe is zo onlosmakelijk verbonden met hun leven, dat je alleen maar die sound tegenkomt. Dat is heel speciaal, want bij ons hoor je ze nooit. Die bamboe heeft echt een typische aardse klank, die heel Java overspoeld. Het is heel bezwerend, ritmisch en melodisch tegelijk."

Eigenlijk is bamboe dé klank van Indonesië.

-Wat was je grootste ontdekking binnen het bamboe-genre?

Dijf Sanders: “Er was een wreed toffe band die ik een beetje vergeleek met de Ethiopische muzikant Mulatu Astatke. Ze hadden een erg Egyptische sound, maar speelden uitsluitend met bamboe-instrumenten. Ik heb een volledige nacht met hen op een veranda gezeten, een bamboeveranda weliswaar. Zij speelden en ik nam op. Dat was zalig. Ze waren heel groovy en speelden tegelijk ontzettend los. Ik vond dat zo speciaal. Dat het niet zo Conservatorium-strak is, vond ik net heel cool in hun muziek. Achteraf heb ik niks kunnen doen met die muziek omdat ze eigenlijk te compleet was. Ik heb ze voor mijn persoonlijk archief gehouden.”

-Je bent zelf ook instrumentenbouwer. Was je onder de indruk van de instrumenten in Java?

Dijf Sanders: “Alle instrumenten die ik tegenkwam, hoorde ik voor de eerste keer. Zelf heb ik bij een instrumentenbouwer een celempung gekocht. Dat instrument wordt uit een segment van een dikke bamboestam gemaakt. Door met een mesje in de bamboe kleine inkepingen te maken en die omhoog te duwen, creëren ze snaren van bamboo. Daar voegen ze dan één bassnaar aan toe. Het instrument vertegenwoordigt zowat de klank van Indonesië die ik nog niet kende.”

-Hoe intens was deze ervaring voor jou?

Dijf Sanders: “Ik was in goed gezelschap. Een gezelschap dat er voor zorgde dat ik nergens over moest nadenken. Ik werd op sleeptouw genomen. Dat heeft mij gered. Java is een eiland met een compleet andere taal. De culturele verschillen zijn enorm. De manier waarop je met mensen omgaat, de etiquette. Dat maakt het op zich al gigantisch moeilijk om je weg te vinden op zo’n plek. Dat zou niet gelukt zijn zonder gids. Op dat vlak kon het van extreem frustrerend gaan tot superchill.”

-Met hoeveel materiaal kwam je terug naar België?

Dijf Sanders: “Genoeg om drie albums met authentieke muziek van daar te vullen of genoeg om er één album van mezelf uit te distilleren. Ik was eigenlijk vooral op zoek naar solo-instrumenten, maar ik ben weinig solisten tegengekomen. Meestal zijn het arrangementen met een vrouwelijke solo-zangeres erbij. Heel mooi en knap, maar vaak dingen die ik achteraf niet uit elkaar kon halen. Het was ook niet altijd gemakkelijk om aan mensen duidelijk te maken wat micro’s doen. Soms moest ik een opname in een keuken maken die verschrikkelijk van akoestiek was of waar de vrouw met het frituren van koeken bezig was. Er was altijd wel iets dat er voor zorgde dat de opname een beetje corrupt werd. Het is niet altijd makkelijk om een perfecte studiosound te creëren.”

-Hoe moeilijk of makkelijk is het om achteraf die geluiden te verwerken in nieuwe composities?

Dijf Sanders: “Voor mij is dat evident. Ik heb nooit iets anders gedaan. Je hebt met zo’n gevonden geluid een emotionele band, want je was erbij. Als je het opzet, word je direct gekatapulteerd naar de sfeer en de emotie van toen. Er hangt zo’n soort uitheemse ruisvloer onder en zo’n bijzonder achtergrondgeluid. Er zit veel beweging in, het is niet zo steriel. Dat triggert onmiddellijk mijn muzikale emoties.

Ik ben altijd op zoek geweest naar rare klanken.

Wat je eenmaal gehoord hebt, kan je niet meer vergeten. Je wereld wordt er alleen maar rijker van. Je sonisch spectrum wordt enorm groot. En toch, soms wil je terug het brein van een baby hebben en alles weer voor een eerste keer kunnen horen. Na een tijdje word je de dingen helaas sneller gewoon en is de verwondering kleiner. Maar dat geeft ook steeds de drijfveer om op zoek te gaan naar nog maar eens iets nieuws.”

Gaat dat zien!

-‘Java’, uit op dewerfrecords, ligt nu in de winkel. Op 23 december brengt Dijf het album live in de Nosta in Opwijk

-Nog tot eind januari brengt Europalia Indonesië dichterbij

VRTNU VRTNU VRTNU