Spring naar inhoud

Charlotte Vandermeersch en Johan Harstad


Johan Harstad, literaire sensatie uit Noorwegen en schrijver van onder andere ‘Buzz Aldrin, waar ben je gebleven?’ en ‘Max, Mischa en het Tet-offensief’ was dit weekend in Bozar voor een Scandinavisch avondje. Actrice Charlotte Vandermeersch, die een bewerking van ‘Buzz Aldrin, waar ben je gebleven’ maakt voor toneel, kon hem de dag erna spreken. Wij waren de spreekwoordelijke vlieg op de muur.

CHARLOTTE VANDERMEERSCH:

“U schreef 'Buzz Aldrin, waar ben je gebleven?' op jonge leeftijd. U was geloof ik 23. Voor mij voelt het dan ook allemaal heel erg authentiek aan, het sluit nauw aan op de leefwereld van tieners, en tegelijkertijd is het heel erg universeel. Ik vroeg me af aan welke persoonlijke nood of verlangen dit boek is ontsproten?”

JOHAN HARSTADT:

“Wat was ik toen aan het denken? Ik wilde om te beginnen schrijven over het gegeven van de op één na beste te zijn. Van in het begin had ik het gevoel dat het een roman moest worden en dat hij lang zou zijn. Het hoofdpersonage is iemand die zich altijd op de achtergrond schuilhoudt, die de spotlights mijdt, die zich nooit zal laten horen en nu, die ene keer dat hij zich wel eens uitspreekt, moest hij meteen uitgebreid aan het woord blijven, om zijn hele verhaal te kunnen vertellen. Dus da’s de reden waarom het boek op die manier geschreven is, met nogal lange, ademloze zinnen, waarin hij zijn gevoelens voor één keer onder woorden tracht te brengen.“

CVDM: Ja, enerzijds zijn er die lange, ademloze zinnen zoals u zegt, met veel komma’s en alle gedachten die er tegelijkertijd uit willen, en anderzijds barst hij bij momenten in zingen uit. Dat zijn de momenten waarop hij iets niet gezegd krijgt, maar het alleen kan zingen. Gisteren (in Bozar) las u een fragment uit Max, Mischa en het Tet-offensief voor over hardlopen en over hoe je door te lopen in een soort trance kan komen, waarbij je boven je uitstijgt en een vogelperspectief inneemt, als was het een transcendentale ervaring. Een heel serene, spirituele ervaring. Voor mij is er een parallel tussen het zingen en het lopen en ik vroeg mij af of u zelf een grote behoefte hebt naar dit soort ervaringen?

JH: Ik kan totaal niet zingen. Mensen vallen spontaan dood als ik begin te zingen. Maar ik heb vroeger wel veel gelopen. Dus dat fragment waar je het over hebt, is gebaseerd op ervaringen die ik had tijdens mijn tienerjaren toen ik nog veel liep en me er nog echt aan overgaf, om 20 kilometer of langer aan één stuk te blijven lopen. Je kent wellicht de term ‘runner’s high’? Dat is het gevoel van euforie dat je krijgt wanneer je een bepaalde grens overschrijdt, je overspoeld wordt door endorfines en in een andere geestestoestand terechtkomt, waar alles plots haalbaar en binnen handbereik lijkt. Eventjes toch, tot je de spreekwoordelijke klop van de hamer krijgt. Het is een heel bijzonder gevoel om als jongen van dertien te ontdekken dat je lichaam in staat is je te brengen naar waar je maar wil. Na die twintig kilometer had ik altijd het gevoel dat ik maar door kon blijven gaan en dat ik alles achter me kon laten. Dus ik denk dat ik dat gevoel onder woorden probeerde brengen. Aan de andere kant was het een manier om bij wijze van spreken de camera eens even vanuit vogelperspectief op te stellen en het landschap waar ze door lopen in beeld te brengen.

CVDM: Soms, als je iemand hoort zingen, lijkt het alsof ze op een unieke manier met je communiceren. Dat zit natuurlijk ook voor een stuk in Mattias’ hoofd, maar ervaart u dat soms ook zo?

JH: Ik denk dat veel schrijvers wilden dat ze eigenlijk muzikant waren. Wij schrijvers moeten boeken van 5-600 pagina’s schrijven en dan heb je daar een lied van 3 minuten 40 seconden dat exact hetzelfde verhaal en gevoel vertelt. Het zingen in het boek is dus voor een stuk ik die me tegen de literatuur afzet, of die onder woorden brengt waar woorden tekort schieten. Op zo’n moment kan je alleen nog zingen. Een beetje zoals in de musicals. Daar zitten ze te ruziën dat het een lieve lust is en dan barsten ze plots uit in een lied, beginnen ze te dansen. Da’s een prachtig iets. Je kan letterlijk niets anders meer dan je hart uitstorten in een lied. Dus uiteraard ken ik dat soort ervaringen. Daarnaast hou ik ook van het masochistische idee van iemand met zo’n enorm talent, die dan weigert te zingen. Er zit iets heel ontroerends in het niet ten volle willen gebruikmaken van je talenten. Ook al omdat de trend vandaag de dag helemaal anders lijkt te zijn. Iedereen melkt elk greintje talent tot op het bot uit. Als je ergens goed in bent, dan moet je er alles uithalen, het op alle social media posten en zoveel mogelijk likes en followers krijgen.

Er zit iets heel ontroerends in het niet ten volle willen gebruikmaken van je talenten. Ook al omdat de trend vandaag de dag helemaal anders lijkt te zijn.

CVDM: Ik twijfel of ik wel moet zingen in de voorstelling. Er wordt gezegd dat het de meest betoverende zang ooit is, maar wat dat dan in de praktijk is? Tegelijk is het natuurlijk geweldig theatraal om een introvert personage te hebben dat dan plots in zingen uitbarst. En dus twijfel ik.

JH: Ik denk dat je moet zingen. Ook al omdat dat geweldig zingen natuurlijk subjectief is. Zelfs de meest getalenteerde muzikant valt niet bij iedereen in de smaak.

CVDM: Ik had een discussie over het boek met een filmproducer. Hij vond het ook een geweldig boek en hij zei dat het volgens hem ging over net niet de beste in iets zijn en dat dat oké is. Maar ik lees er ook in dat Mattias excuses zoekt om niet echt te leven. In het begin van het boek zegt hij: ik ben een tuinier, dit is mijn vriendin, dit zijn mijn ouders en ik hoop dat dat allemaal nooit verandert. Maar net doordat hij er zich zo aan vastklampt, barst het allemaal. Wanneer hij dan op de Faeröer-eilanden verzeilt, leert hij hoe hij zijn eigen nummer één kan zijn. Niet iedereen moet de nummer één in alles willen zijn, maar ik denk dat het wel belangrijk is om je eigen nummer één te zijn en jezelf te aanvaarden.

JH: Ik denk dat je gelijk hebt. In zekere zin is hij een lafaard. Hij houdt zich namelijk lekker gedeisd op die tweede plaats, in de schaduw. Hij neemt zijn verantwoordelijkheid niet. Ik denk dat er ruwweg twee manieren zijn om de roman te lezen: aan de ene kant is er het vieren van de anonimiteit en het net niet de beste zijn, maar er zit ook een keerzijde in, in de zin dat Mattias geen verantwoordelijkheid neemt en anderen verwijt dat ze hem achter de veren zitten. Hij schuift de schuld voor zijn problemen in andermans schoenen, dus in zekere zin heeft hij een schop onder zijn kont nodig. En die krijgt hij uiteindelijk ook. Wat je zegt, dat hij zijn eigen nummer één moet zijn, is heel juist. Uiteindelijk doet hij dat ook wel, denk ik. Hij neemt zijn verantwoordelijkheid en laat van zich horen. Zijn grote voorbeeld, Buzz Aldrin, zoals we allemaal weten de tweede man op de maan, heeft dat ook moeten doen. Na zijn terugkeer op aarde had hij het heel moeilijk en ging hij te veel drinken, en op een bepaald moment heeft hij een keuze moeten maken en moeten inzien dat het zo niet verder kon. Altijd de beste willen zijn kan je levend verslinden, maar ook het eeuwige verstoppertje spelen en niet aan de maatschappij mee willen doen heeft een romantische bijklank, maar het is ook nogal negatief. Dat is de eeuwige dynamiek van het leven, je moet je voortdurend aanpassen aan je omgeving. Je kan niet altijd en overal dezelfde blijven. Al begrijp ik Mattias zijn verlangen naar het status quo wel, zijn wens dat de dingen bij het oude zouden blijven. Verandering doet altijd een beetje pijn, omdat je je voortdurend moet aanpassen. Je moet aanvaarden dat niets onveranderlijk of voor altijd is. Alles vloeit en het is gewoon niet mogelijk om je ergens aan vast te klampen. De wereld evolueert alsmaar verder.

Al begrijp ik Mattias zijn verlangen naar het status quo wel, zijn wens dat de dingen bij het oude zouden blijven. Verandering doet altijd een beetje pijn.

CVDM: Zo staat het geloof ik op de flaptekst: je probeert je aan mensen vast te klampen, maar dat is alsof je water zou willen vastgrijpen. Dat lukt niet. Alles verandert nu eenmaal, ook jij en ik. Je denkt misschien dat je je leven lang dezelfde persoon bent, maar dat is niet zo. Momenteel ben ik daar geweldig mee bezig. Binnenkort word ik moeder en ik word heel melancholisch van die nakende verandering.

JH: Is het je eerste kind?

CVDM: Ja.

JH: Heb je de film ‘Lost in Translation’ gezien. Daarin zegt het personage van Bill Murray op een bepaald moment: je leven zoals je dat kende, is voorbij en zal nooit meer terugkomen. Ik heb zelf twee kinderen en ik vind veel waarheid terug in die uitspraak. Ik dacht zelf dat ik mezelf zou verliezen door kinderen te hebben. Maar ik kan je geruststellen: je zal nog steeds dezelfde persoon zijn, alleen zal je leven zoals je dat nu kent voorgoed verleden tijd zijn. Op een goede manier. Het is niet dat je voortaan al je ambities zult moeten inslikken, er is gewoon een soort verschuiving waarbij alles in je leven een klein beetje anders wordt… ik dacht dat ik dit beter ging kunnen uitdrukken, maar dat valt tegen. Je zal het zelf moeten ondervinden. Maar je moet je geen zorgen maken.

CVDM: In Bozar kreeg je een vraag van Annelies Verbeke over de autobiografische elementen in je werk. Ik was ervan overtuigd dat er heel wat elementen uit je eigen leven in ‘Buzz Aldrin’ zouden zitten, maar jij zei van niet. Terwijl je van ver gezien zou zeggen dat het hoofdpersonage op je lijkt. Waarom zei je van niet?

JH: Ik denk dat het belangrijk is om toch een duidelijk onderscheid te maken. Het is natuurlijk onmogelijk om iets te schrijven dat niet op de een of andere manier uit jou komt. De scène van het hardlopen waar we het eerder over hebben, is gebaseerd op mijn eigen ervaringen met lopen, maar het is geen exacte beschrijving van één van die loopsessies. Dus ja, natuurlijk staan er zaken in mijn romans die op ware feiten gebaseerd zijn, maar in veel grotere mate staan er dingen in zoals ze hadden kunnen gebeuren, of echte feiten maar dan met een twist. Het is een tijd geleden dat ik het boek schreef, dus misschien zie ik een aantal autobiografische elementen over het hoofd, maar in ieder geval is het geheel dat zeker niet. Ik moet mezelf daarin ook een beetje beschermen. Ik moet sommige zaken voor mezelf houden. Als ik mijn eigen ervaringen ga opschrijven, ben ik ze op een bepaalde manier kwijt. Dus geef ik de lezer een alternatieve, verzonnen versie.

CVDM: Ik stel me voor dat u een levendige verbeelding heeft. Eén uitspraak van u in Bozar is me in het bijzonder bijgebleven. U zei: stop nooit je ziel in een boek, want dan ben je hem kwijt. Dat bleef in mijn hoofd spoken, omdat mijn vriend (filmmaker Felix Van Groeningen, red.) ook alles in zijn werk investeert en soms lijkt het alsof hij moeite heeft met het echte leven.

JH: Dat is het probleem met alle kunsten, of het nu schrijven, zingen of films maken is. Je doet dat in de eerste plaats om iets te communiceren, toch? En tot op zekere hoogte om mensen te entertainen en hen een stukje of een versie van jezelf te geven. Als je naar muziek luistert, dan roept dat allerlei gevoelens op, van vreugde of verdriet en dat werkt troostend. Er zit een vorm van catharsis in. Kunst is heel erg belangrijk voor ons. En we denken dat dat hetzelfde werkt voor de mensen die die dingen maken. Maar veel mensen, mezelf inbegrepen, schrijven die boeken om van hun demonen af te komen. Ze denken: gewoon even dit boek schrijven en dan ben ik er voor altijd vanaf… Maar blijkt dat kunst een heel armzalige vorm van therapie is. Het is vreselijk slechte therapie, omdat ze in feite slechts toevoegt aan de bagage die je al door het leven meezeult. Maar op een bepaalde manier houdt dat falen ons ook net gaande. Want je denkt: volgende keer, volgende keer zal het lukken, volgende keer schud ik die demonen af, en kan ik verder. Een deel van mij verlangt echt naar de dag dat ik een boek af zal hebben en zal kunnen zeggen: dat was het dan. Ik ben er klaar mee. Nu kan ik eindelijk iets anders gaan doen. Pas op, ik hou van schrijven, maar ik hoop tot op zekere hoogte ook dat het ooit ophoudt omdat het zoveel energie opslorpt.

Een deel van mij verlangt echt naar de dag dat ik een boek af zal hebben en zal kunnen zeggen: dat was het dan. Ik ben er klaar mee.

CVDM: Dat wilde ik net vragen: voel jij je soms helemaal leeg na het schrijven?

JH: Absoluut. Bij elk boek is er dat moment dat je voor het eerst een fysiek exemplaar in handen krijgt en dat je het doorbladert en eventjes, heel eventjes tevreden bent en dan zet je ’t weg, op de boekenplank. Maar wanneer de boeklancering achter de rug is, de eerste recensies binnenkomen en mensen je zitten te sms’en dat ze je nieuwe boek aan het lezen zijn, en de uitgever zegt dat de verkoop loopt, dan ben ik er al lang klaar mee. Wat twee, drie jaar lang mijn werk was, is nu plots weg, om nooit meer terug te komen. Ik kan er niets meer mee, ik ben technisch werkloos. Ik voel me dan ook uitermate leeg na het schrijven van een boek, ook al omdat je er echt alles in investeert, omdat je lijf en leden inzet om dat fucking boek juist te krijgen (lacht). Dus ik denk dat veel creatievelingen dat gevoel van leegte kennen en ik denk dat het ook belangrijk is, omdat het ons voortstuwt. Daarom doen we verder.

CVDM: Wat vind je er eigenlijk van dat mensen als ik aan de slag gaan met je werk?

JH: Voor mij is dat één van de redenen waarom ik het doe. Ik heb zelf dat soort ervaringen gehad met andermans kunst. Boeken lezen, films zien, muziek horen die je inspireert en die je het verlangen inplant om ook iets te maken. Dat is de prachtige vicieuze cirkel van kunst, kunst brengt kunst voort. Al is het wel zo dat ik het ook een beetje een mindfuck vind. Maar dan op een heel plezierige manier. Want uiteindelijk gaat het in essentie daarover, meer dan over roem of geld. Je wil iets maken dat belangrijk wordt voor iemand anders, je wilt verbondenheid. Kunst wordt vaak gemaakt door mensen die het moeilijk vinden om zich op een gewone manier, in een gesprek, uit te drukken. Zij moeten via dit soort zijpaden en omwegen gaan communiceren. En als dat dan lukt, is dat een opluchting.

CVDM: Creëren is een belangrijk thema in ‘Max, Mischa’.

JH: Het gaat er ook om een plaats voor jezelf te creëren, een plaats waar je kan bestaan, waar je jezelf kan zijn, daar maak je kunst voor. Voor sommigen kan het moeilijk zijn om een plek te vinden in de echte wereld, en dus ga je kathedralen bouwen voor jezelf, al kom je vroeg of laat tot het besef dat dat nooit voor de volle honderd percent lukt, en dus moet je steeds nieuwe kathedralen bouwen. Daarom is het ook zo uitputtend. Ik bedoel maar: een kathedraal bouwen is behoorlijk zwaar, maar om dat aan de lopende band te doen…

CVDM: Een laatste vraag: wanneer ben jij het gelukkigst?

JH: Ik denk dat ik het gelukkigst ben na een dag goed schrijven. Wanneer ik iets heb gedaan, waarvan ik niet wist dat ik het kon. Dat gevoel jaag ik na. Meestal heb je de ene waardeloze dag na de andere en dan plots, uit het niets, heb je een goede dag, de tijd vliegt voorbij en je bent op dreef en terwijl je schrijft voel je gewoon dat het goed zit. Het is een beetje zoals muziek maken denk ik, en als je dan klaar bent, kan je achterover leunen en blaas je even. Wow, er is hier iets gebeurd. Je kan het bijna vergelijken met verliefd zijn. Het is een heel sterke emotie en soms werk ik de daaropvolgende dagen niet, gewoon om dat gevoel vast te kunnen houden…

VRTNU VRTNU VRTNU