Spring naar inhoud

Het Chinees restaurant van Leopold II

En het geheime deurtje van Fabiola

Het Chinees restaurant van Leopold II - © canvas
geschreven op 14 september 2017

Een automobilist die langs het Park van Laken over de Brusselse Van Praetlaan rijdt – of daar in de file staat – kan zich even in het Verre Oosten wanen, want aan de ene kant staat een Japanse pagode en aan de andere zijde prijkt een soortement Chinees restaurant. Architecturale folies van koning Leopold II die al jaren gesloten zijn voor het publiek, maar wij kregen de sleutel!

Bekijk de exclusieve beelden en ontdek het geheime deurtje van Fabiola. En wat heeft Tchang, de vriend van Kuifje, hiermee te maken?

Leopold II

De droom van Leopold

De Japanse Toren en het Chinees Paviljoen zijn het resultaat van de droom van Leopold II (1835-1909) om een grote economische afzetmarkt te scheppen in het Verre Oosten voor de Belgische export, en tegelijk ook de import van oosterse producten te begunstigen.

Het paste in zijn voornemen om het kleine België een zekere grandeur te verlenen. Reeds als kroonprins leefde dit idee bij hem en toen hijzelf op de troon kwam, wou hij die ambitie waar maken. Dat deed hij uiteraard met zijn Congo-plannen en het resulteerde ook in grootse architecturale verwezenlijkingen waarvan hij de bouwheer was, zoals het Koninklijk Paleis in Brussel en de Triomfboog van het Jubelpark.

Leopold II koesterde eveneens urbanisatieplannen om Brussel naar analogie met Parijs om te vormen tot een XXste-eeuwse grootstad. En daar hoorden ook de buitengemeenten bij. Aan de oostelijke kant was dat het project rond Tervuren met het Afrikamuseum en de Tervurenlaan. Aan de westelijke kant moest het Park van Laken – toen nog gelegen in een landelijk gebied – daar de pendant van worden. De oosterse gebouwen die hij in gedachten had, zouden de perfecte plek zijn om de economische belangen van België in China en Japan te promoten. Ze zijn de laatste grote architecturale realisaties van Leopold II. Hij zou de uiteindelijke voltooiing niet meemaken.

Japanse Toren

In 1900 had de koning de wereldtentoonstelling van Parijs bezocht en was daar onder de indruk gekomen, enerzijds van de charmes van Blanche Delacroix, zijn latere minnares, de beruchte barones de Vaughan, anderzijds van het paviljoen Le Tour du Monde, een eclectisch complex met Moorse, Japanse en Indische architectuur, ontworpen door de Franse architect Alexandre Marcel (1860-1928).

Leopold II vroeg Marcel om een site in oosterse stijl te ontwerpen voor het Park van Laken. Niet dat hij zo’n grote fan was van exotische architectuur, maar het kaderde in zijn hoger vermelde ambities.

De koning kocht alvast het inkompaviljoen van Le Tour du Monde op, een Japans bouwwerk dat hij liet demonteren en optrekken in Laken. De Japanse Toren, in tegenstelling tot wat vaak wordt verteld géén recup van de tentoonstelling, werd helemaal nieuw ontworpen door Alexandre Marcel en gebouwd in Laken, weliswaar naar het model van zijn Parijse voorganger.

Le Tour du Monde, Parijs 1900

Het Parijse inkompaviljoen werd geïncorporeerd in het nieuwe torencomplex, dat strikt genomen weinig van doen heeft met authentieke Japanse pagodes. Een Japanse pagode bestaat wel uit diverse verdiepingen (een oneven aantal!) maar eigenlijk alleen maar aan de buitenzijde. Binnenin is het één open ruimte, waarin een Boeddha-beeld kan staan. De toren in Laken heeft échte niveaus die per etage toegankelijk zijn via een draaitrap die langs de buitenzijde staat.

De dragende houtstructuur werd gebouwd door de firma Claes uit Sint-Truiden, de Japanse ornamentiek kwam hoofdzakelijk van Franse decorateurs. Alleen het fijne houtsnijwerk en de metalen geciseleerde, vergulde plaatjes – verbindingsstukken voor de houten balken – werden in Japan besteld en vervaardigd door lokale ateliers in Yokohama.

De Japanse Toren is dus een Europese creatie met een Japans sausje overgoten. Recent onderzoek heeft aangetoond dat het misschien toch iets minder kitscherig is dan gedacht: bepaalde houten elementen zouden gerecupereerd zijn uit oude Shogun-mausolea, die men in Japan liever kwijt was (om politieke redenen). Unieke stukken eigenlijk, die hier heel goed bewaard zijn gebleven omdat ze – hoewel afkomstig uit exterieur-monumenten – hier in het interieur werden herbruikt en daardoor de tand des tijds beter hebben doorstaan dan de exemplaren in Japan.

Ontwerptekening voor de 'Tour Japonaise', 1901

De Japanse Toren, begonnen in 1901, werd geopend tijdens een tuinfeest op 6 mei 1905. Het is niet 100% duidelijk wat de bestemming was voor de toren. Had hij wel echt een functie of diende hij gewoon als ornament in het koninklijk park? Was hij publiek toegankelijk of louter particulier? De eerste verdieping was alleszins ingericht als een private kamer voor Leopold II met een verborgen kabinet. Omwille van het comfort was er elektrische verlichting, stromend water, telefoon, zelfs een goederen- én een personenlift. Welke plannen had de koning met deze kamer? Een privékantoor waar hij discreet politici kon ontvangen of - nog discreter - zijn minnares, barones de Vaughan?

Het lijkt erop dat de koning na enkele jaren zijn belangstelling voor het complex verloor en in 1909 gaf hij het over aan de Belgische staat, met als doel er een handelsmuseum van te maken om de buitenlandse export-import tussen België en Japan te promoten. Leopold II zou het niet meer meemaken; hij overleed op 17 december 1909.

De Japanse Toren en de Chinese Kiosk

Restaurant Chinois

Het Chinees Paviljoen kent een gelijklopende geschiedenis. In eerste instantie was het bedoeld als luxerestaurant voor zakenlui, bankiers en industriëlen en voor de Brusselse gegoede burgerij, die een bezoek aan de Japanse Toren en het Park van Laken kon combineren met een etentje in stijl. Franse haute cuisine, wel te verstaan; van Chinese maaltijden was geen sprake.

Vandaar dat in het paviljoen, dat altijd omschreven werd als het 'Restaurant Chinois', ook alle meubilair voor een restaurant aanwezig was (is) met aparte privé-salons in Chinese, Japanse en Indische stijl, en uiteraard een volledig uitgeruste keuken. Een apart bijgebouw diende als koetshuis en stalling voor de paardenkoetsen en automobielen van de restaurantbezoekers.

Een kiosk op het voorplein oogt Chinees, maar de plaatsing is dat allesbehalve. Een échte Chinese kiosk, die bijvoorbeeld als theepaviljoen dienst doet, staat meestal half verborgen, ietwat heimelijk opgesteld in een park. Hier staat hij centraal op het plein zoals een Europese fanfarekiosk.

Plannen van het 'Restaurant Chinois', 1901-1903

Net zoals voor de toren tekende architect Alexandre Marcel een oosters geïnspireerd gebouw dat op Europese wijze werd opgetrokken: de structuur met houten pijlers en een houten dak op een stenen terrassokkel lijkt Chinees, maar het is een bakstenen kern waarrond houten decoratieve panelen en tegels werden geplaatst. Het interieur is een rijkelijke mix van chinoiserieën en Franse rococo.

Een groot deel van de ornamentiek is van Europese makelij. De wandtegels in glaspasta komen uit een Franse fabriek. Maar het houtsnijwerk werd besteld in de Chinese ateliers van T'ou-Sè-Wè, verbonden aan de school en het weeshuis van de Jezuïeten in Shangai. Het was de Duitse Jezuïet, broeder Aloysius Beck (1854-1931) die het atelier houtbewerking leidde. Het leverde tal van afgewerkte stukken voor het 'Restaurant Chinois' van Leopold.

Broeder Beck en twee Chinese jongens bij een afgewerkt stuk uit het houtatelier

Het duurde tot 1910 eer het paviljoen klaar was. Omdat er zich geen enkele concessiehouder meldde voor de exploitatie van het gebouw als luxerestaurant, besloot men tenslotte om het eenzelfde bestemming te geven als de Japanse Toren. Net zoals zijn Japanse pendant zou het Chinese paviljoen dienen als handelsmuseum, in dit geval ter promotie van de Belgisch-Chinese handelsbetrekkingen. Het was Leopolds opvolger, koning Albert I, die het paviljoen plechtig opende op 15 oktober 1913. Samen met de toren vormde het de 'Exposition commerciale permanente d'Extrême-Orient'.

Er was een tentoonstelling van oosterse kunstvoorwerpen en Japanse en Chinese artikelen in combinatie met een presentatie van Belgische exportproducten: van Elixir de Spa tot wapens van de FN-fabrieken van Herstal. Uiteindelijk konden de Japanse Toren en het Chinees Paviljoen de rol vervullen, die aansloot bij de ambities van hun initiatiefnemer Leopold II.

Oorlog

De Eerste Wereldoorlog maakte hier voortijdig een einde aan. Het complex werd gesloten. Duitse soldaten hielden lelijk huis in de Japanse Toren en plunderden en vernielden het interieur. De toren zou pas heropenen in 1922. Het Chinees Paviljoen bleef gevrijwaard van plundering, liep wel wat schade op door een ontploffing, maar kon toch de deuren heropenen in 1919.

Het Chinees Paviljoen

Het ministerie van Buitenlandse Zaken, dat de gebouwen in beheer had, wou zich ervan ontdoen en gaf ze over aan het ministerie van Kunst en Wetenschappen, dat ze onmiddellijk onderbracht bij de Koninklijke Musea van het Jubelpark. Dat gebeurde in 1921, maar de musea waren niet bepaald opgezet met dit vergiftigd geschenk: twee gebouwen die heel wat onderhoud en bewaking vereisten en - zeker in het geval van de Japanse Toren - niet geschikt waren als expositieruimte. Bovendien was de ligging buiten het stadscentrum verre van ideaal.

Na de Tweede Wereldoorlog werd een uitgebreide collectie Chinees en Japans porselein ondergebracht in het Chinees Paviljoen, dat hierdoor een volwaardige museale functie kreeg. Hierna volgde een opeenvolging van periodes waarin nu eens de toren, dan weer het paviljoen geopend werden, gerenoveerd en dan weer gesloten. Voor Europalia Japan 1989 legde men zelfs een toegangstunnel aan onder de drukke Van Praetlaan.

Sluiting

In 2006 werd in het belendende koetshuis een klein Japans museum ondergebracht, maar in 2013 werd de hele site – Japanse Toren, Chinees Paviljoen én koetshuis – definitief gesloten uit veiligheidsoverwegingen. Want de zware nokversiering van het paviljoen dreigde naar beneden te vallen. Gevelelementen verzakten en losse stukken brokkelden af. Erkers begonnen vervaarlijk door te buigen met het risico op instorting en moesten gestut worden. Grote delen van de collecties zijn nu ondergebracht in de depots van het Jubelpark in afwachting van…

(lees verder onder foto)

Luchtfoto van het Koninklijk Domein van Laken

Gelukkig blijft de Regie der Gebouwen de nu leegstaande gebouwen verwarmen en bewaken. Men hoopt dat restauratiewerken weldra van start kunnen gaan. Zou het niet mooi zijn als in 2021 – 100 jaar na de overdracht van de gebouwen aan de Jubelparkmusea (1921) – het complex weer zijn deuren zou kunnen openen voor het publiek?

Er zal wel moeten nagekeken worden hoe de gebouwen brandveilig kunnen gemaakt worden, hoe de toegankelijkheid voor hulpdiensten én een vlotte evacuatie van het publiek kunnen verzekerd worden én in hoeverre de privacy van de koninklijke familie, die tenslotte in het naastgelegen park woont, kan gevrijwaard worden.

Geheim deurtje

En hoe zit het nu met dat geheime deurtje van Fabiola? Wel, onderaan in de Japanse toren is een kleine deur, die uitgeeft op een buitentrap en vandaar via een poortje rechtstreeks toegang geeft tot de privétuin van het paleis van Laken. Koningin Fabiola gebruikte dit deurtje geregeld wanneer ze discreet een bezoek wou brengen aan de toren. 'La reine est à venir' werd dan doorgebeld vanuit het paleis, waarna een suppoost zich repte om de deur te openen.


Dank

Met dank aan Nathalie Vandeperre, conservator Musea van het Verre Oosten, voor de documentatie en de uitgebreide rondleiding en Elisabeth Van Besien, Regie der Gebouwen, voor de medewerking.


VRTNU VRTNU VRTNU