Spring naar inhoud

Goud in de Ardennen

Goud in de Ardennen - © canvas
geschreven op 24 augustus 2018

Twee weken geleden waren we nog op uitstap met Einstein aan zee. Deze keer stellen we onze gps in met als bestemming de Ardennen.

Af en toe gebeurt het wel eens: tijdens het ploegen stoot een boer op een verborgen Keltische goudschat. Of amateur-archeologen met een metaaldetector vinden een kruik vol gouden Gallo-Romeinse munten. Waar haalden onze voorouders dit goud vandaan? Simpel: uit de Ardennen.

Ga mee op zoek naar de verborgen goudmijnen van de 'Oude Belgen'…
Goudschat

In onze musea liggen ze in goed beveiligde kasten: de archeologische vondsten uit de Keltische en Gallo-Romeinse periode. Topstukken zijn het: rijkelijke juwelen en munten, vervaardigd door wie we gemeenzaam als de ‘Oude Belgen’ omschrijven. Prachtig bewerkte siervoorwerpen, fibula of mantelspelden, halskettingen, armbanden, muntstukken, ringen…

Gouden torque

Een typisch siervoorwerp van onze Keltische voorouders was de torque, een nauw aansluitende halsband, die zowel door mannen als vrouwen werd gedragen. Vaak waren deze torques vervaardigd in edelmetaal, zilver of goud. De bekendste voorstelling is te zien in Rome: het marmeren beeld van de stervende Galliër.

Stervende Galliër, detail met torque

Ardens goud

We kunnen ons de vraag stellen: waar kwam het goud vandaan dat de Keltische en Gallische edelsmeden gebruikten? Wel, het kwam o.m. uit vindplaatsen in de Ardennen. Al vanaf de 6de eeuw voor onze jaartelling werd er goud gevonden in het zuiden van ons land. Onze voorouders die daar leefden, de Condruzen, Trevieren en andere stammen, prospecteerden lokale rivieren. Als ze het rivierslib uitzeefden en grote aantallen goudschilfers aantroffen, wisten ze dat het de moeite loonde om de bodem verder te ontginnen.

Indien nodig groeven ze een mijngang en ‘wasten’ ze het opgedolven materiaal in het water van een nabijgelegen stroompje. En in het beste geval leverde dat ‘nuggets’ of goudklompjes op. We mogen veronderstellen dat die uitbating veelal door kleine groepen mensen gebeurde op ambachtelijke wijze, maar waar de oogst groter was, konden talrijke arbeidskrachten worden ingezet en kunnen we bijna spreken van ontginning op semi-industriële schaal.

Reconstructie van een Keltische goudmijn

Het Ardense goud was niet bestemd voor de lokale markt. Het waren de rijke edelen van naburige stammen, zoals de Eburonen, die het gebruikten voor juwelen en munten. De Eburonen hadden in tegenstelling tot de Ardense stammen administratieve en economische centra waar een afzetmarkt bestond voor dergelijke luxeproducten.

Toen Julius Caesar hier arriveerde met zijn legioenen kwam de exploitatie in Gallo-Romeinse handen. We mogen aannemen dat de goudmijnen actief bleven tot pakweg de 5de eeuw n.C.

Oude Keltische 'terrils' wijzen op vroegere goudontginning

Trou des Massotais

Oude vindplaatsen zijn voor een geoefend oog te herkennen aan de talloze stortheuvels, zeg maar: ‘terrils’ waar het opgedolven zand na zuivering werd gestort. Het landschap met al die kleine heuveltjes langsheen een riviertje is kenmerkend voor de delfplaatsen. Er is één site waarvan archeologisch is bewezen dat er ooit een echte goudmijn was: de zogenaamde Trou des Massotais vlakbij de Baraque Fraiture.

Trou des Massotais: geen gewone poel, maar de ondergelopen toegang van een oude goudmijn

Deze locatie is nu herkenbaar als een kleine waterpoel in het bos, op enkele honderden meters van het kruispunt Baraque Fraiture op de E25. Eind jaren '90 is het vijvertje leeggepompt en hebben onderzoekers, in samenwerking met de Université de Liège, een oude mijngang kunnen blootleggen. Het houten stutwerk werd onderzocht en koolstof14-analyse leverde een datering op die wijst op ontginning vanaf de Keltische tijd (ca. 360 v.C.) tot in de late Gallo-Romeinse periode (ca. 400 n.C.)

Opgelet: goudzoekers-in-spe, ga er niet heen. De Trou ligt op privéterrein én is beschermd als archeologische site. En er is natuurlijk ook een reden waarom de ontginning werd stopgezet: het goud was op. Dus veel valt er niet meer te rapen. Bovendien is de put intussen weer volgelopen met water.

Blootgelegde mijngang in de Trou des Massotais

De goudkoorts van Montenau

In de daarop volgende eeuwen valt de goudontginning stil. Mogelijk zochten goudzoekers op goed geluk nog in stroompjes, zoals de bovenlopen en zijriviertjes van de Amblève en de Salm, en sporadisch zullen ze ook wel wat goudschilfers gevonden hebben, maar rendabel zal het niet geweest zijn.

Pas in de late 19de eeuw is er weer sprake van échte goudvondsten in de Oostkantons, toen deel uitmakend van het Pruisische rijk. In 1876 prospecteerde de Rijnlandse mijnopzichter Julius Jung de omgeving van het dorp Montenau tussen Sankt-Vith en Malmédy. Hij vond er oude terrils, relicten van vroegere ertsontginning. Hij liet bodemmonsters analyseren met looderts, meende hij. Maar tot zijn verbazing stelde men hoge concentraties van goud vast. Het duurde verscheidene jaren eer hij met de ontginning kon van start gaan. In 1896 kreeg hij een concessie van 200 hectare.

Bovengrondse installatie voor goudwassen aan de goudmijn van Montenau

De eerste vondsten waren zogezegd veelbelovend: fel overdreven persartikels maakten gewag van dagopbrengsten van 100 gram goud per twee arbeiders (sic). Volgens sommigen leidde dit nieuws tot een goldrush, maar of het écht zo’n vaart liep, is niet zeker. Er kwamen wel wat arbeidskrachten op af – arme keuterboeren of houthakkers – en Jung kon zijn concessie uitbreiden. Er is sprake van een heus imperium van meer dan 10.000 hectare, maar mogelijk was dit promotionele praat van Jung om investeerders te lokken.

De goudopbrengst viel uiteindelijk tegen en de goudkoorts koelde snel af. Vanaf 1906 kreeg Jung geen geld meer bijeen om zijn mijnbedrijf draaiende te houden. De mijn van Montenau werd gesloten en Jung overleed enkele jaren later in 1910. Op enkele minieme pogingen na zijn er nadien geen noemenswaardige goudexploitaties geweest.

Goudzoeker Bruno Van Eerdenbrugh in actie

En vandaag?

Er is nog altijd goud te vinden in de Ardennen. Goudzoeker Bruno Van Eerdenbrugh kan ervan meespreken. Maar vooraleer jullie, voorzien van een goudpan en lieslaarzen, massaal naar riviertjes als de Amblève, Ninglinspo, Chefna of de Salm trekken, toch even luisteren naar de specialist. “Je kan inderdaad in riviertjes en beken op welbepaalde plaatsen het edelmetaal vinden.” Maar Bruno waarschuwt: “Een dag goudwassen levert nauwelijks wat op: enkele goudschilfers, niet veel meer dan een tiende van een gram ter waarde van één euro.”

Strikt genomen is het verboden om zomaar ergens goud te wassen. Dus als je nog een boete krijgt van een plichtbewuste boswachter, hou je helemaal niks over.

Watervalletje op de Chefna nabij Quarreux

Maar wie weet… ligt er nog ergens een verborgen en vergeten goudader. Er doen immers verhalen de ronde over zo’n plek nabij het gehucht Quarreux aan het riviertje Chefna. In de vroege 19de eeuw zouden drie boeren hier goud ontdekt hebben. Ze meldden hun vondst aan de prefect van het departement Ourthe. De prefect gaf hen een symbolisch schouderklopje, maar raadde hen aan zich opnieuw bezig te houden met hun aardappelteelt.

Eén van de drie, een zekere Paquay, sloeg het advies in de wind. In de jaren daarop pendelde hij geregeld tussen Quarreux en Luik. Waarom? Om zijn aardappelen aan de man te brengen? Of om goudklompjes te verkopen misschien? Finaal ‘boerde’ meneer Paquay goed, want toen hij overleed was hij miljonair.


Dank

Met dank aan Bruno Van Eerdenbrugh voor de uitgebreide documentatie en foto's.

VRTNU VRTNU VRTNU