Spring naar inhoud
donderdag 28 maart om 23u15 & op vrt nu

B.B. King: On the road

Bekijk B.B. King: On the road op
Riley B. King, beter bekend als B.B. King, was een koning van de blues. Zijn troon stond in vele concertpaleizen en op diverse podia over de hele wereld. Altijd onderweg, voor soms wel meer dan 300 concerten per jaar, vanaf de jaren vijftig tot aan zijn dood in 2015. De documentaire B.B. King: On the road vertelt het verhaal van deze reizende 'blues boy' via de mijlpalen in zijn carrière.
Filmaffiche voor 'B.B. King: on the road' (2018)

B.B. King: On the road is een film van de Britse documentairemaker Jon Brewer. Op zijn filmografie prijken documentaires over Kurt Cobain, Jimi Hendrix, Nat King Cole en eerder ook al eens B.B. King.

In 2014 maakte Brewer namelijk B.B. King: The life of Riley, een mooi portret waarin de toen 88-jarige bluesman terugblikte op zijn carrière, aangevuld met getuigenissen van tijdgenoten en van muzikanten als Eric Clapton, Bono, Carlos Santana en Dr. John.

Toen de film klaar was, ging de gezondheid van B.B. King snel achteruit: hij had al jaren diabetes, maar daar kwam beginnende dementie bij. Geplande concerten moesten worden afgelast en amper een jaar later, op 14 mei 2015, overleed B.B. King in zijn slaap. Hij was toen 89 jaar.

Jon Brewer en zijn cameraploeg waren erbij tijdens de begrafenisstoet in Memphis en toen B.B. King een laatste rustplaats kreeg in 'zijn' museum in Indianola, in de staat Mississippi.

Riding with the King

De beelden van die laatste reis vormen de eindsequentie van B.B. King: On the road uit 2018. Maar die nieuwe documentaire kwam er vooral als een soort correctie op de eerste film. Want de medemuzikanten van B.B. King vonden dat Brewer in zijn eerste film een belangrijk aspect van de bluesman onderbelicht had: de vele concerten, het onophoudelijke toeren en de vele verhalen van het leven 'on the road'.

When he came on stage, he was on fire.

drummer Tony Coleman

Voor B.B. King was dat de zin van zijn leven: "Ik wil muziek maken, zo goed als ik kan, voor zo veel mogelijk mensen en in zo veel mogelijk landen. Met andere woorden, ik wil dat de hele wereld kan horen hoe B.B. King de blues zingt en speelt." En dus ging hij de baan op met zijn muziek, jaar in jaar uit.

B.B. King en Lucille (zijn gitaar) tijdens een concert

Tijdens zijn carrière van meer dan vijf decennia stond hij bijna dagelijks wel ergens op een podium. Hij kon niet anders. In het begin kwam er zo brood op de plank: het was dát of werken op het land. Later moest hij veel concerten geven om zijn grote entourage te betalen. Tegelijk kon hij zo ook een trouw publiek opbouwen. Dan kwam er een tijd dat de inkomsten van de concerten dienden om zijn belastingschulden af te betalen. En zelfs in zijn latere jaren, toen hij al lang een goedbetaalde wereldster was, bleef hij toeren volgens een schema van drie weken concerten, drie weken rust. Geen wonder dat Kings tweede vrouw in de documentaire zegt: "The road is his home, the fans are his family."

B.B. King met zijn tweede vrouw Sue Evans

De bluesbus

Jon Brewer kon in zijn nieuwe documentaire natuurlijk niet om de biografie van B.B. King heen. Hij herneemt en hermonteert enkele stukken uit de eerste biopic uit 2014, vertelt het verhaal opnieuw chronologisch en laat voor een deel ook dezelfde mensen aan het woord. Vaak zijn dat duidelijk ongebruikte interviewstukken die werden opgenomen voor de eerste film. Maar gelukkig is B.B. King: on the road meer geworden dan een verzameling 'left-overs'. En dat is vooral te danken aan de nieuwe getuigenissen van de muzikanten die hebben meegespeeld in de verschillende bands van B.B. King.

Mooi is bijvoorbeeld het hoofdstuk over het B.B. King Orchestra, zijn eerste grote band in de jaren vijftig, compleet met een eigen entourage: mensen voor de administratie, een tourmanager, een personal assistant, twee chauffeurs én een eigen tourbus. Dat had King afgekeken van de grote jazzorkestleiders als Duke Ellington, Count Basie en Cab Calloway. Die hadden allemaal een eigen bus en dat wilde B.B. ook. En zo geschiedde.

De tourbus van het B.B. King Orchestra in Memphis (1956)

Met die bus en band toerde B.B. King langs het zogenaamde 'chitlin circuit'. In de hoogtijdagen van de segregatie was dat de onofficiële verzamelnaam voor alle podia voor de zwarten (muzikanten en publiek). Dat ging van kleine achterafzaaltjes, de 'juke joints' in dorpjes langs de stoffige Amerikaanse highways, tot grote podia in de steden zoals het Apollo Theatre in New York, Howard Theatre in Washington en Regal Theatre in Chicago.

Accidents de parcours

Er zijn sappige verhalen over de verkeersongelukken met de bus en zelfs een racistisch geïnspireerd schietincident. En dan is er nog een aanslag op de hotelkamer van de zwarte activist Martin Luther King. B.B. King logeerde net een paar kamers verderop. Telkens kwam iedereen er zo goed als ongedeerd vanaf. Toch kende dat 'life on the road' ook zijn tol. De twee huwelijken van B.B. King sneuvelden uiteindelijk doordat hij zoveel van huis was.

Hoes van 'Live at the Regal' van B.B. King (1964)

De hoogtepunten in de lange carrière van B.B. King zijn vaak terug te brengen tot memorabele concerten. Zo was er de elpee Live at the Regal, een opname uit 1964. Volgens veel collega-muzikanten was dat een van zijn beste concerten. Carlos Santana zei hierover: "Every note, every word, every song, every everything is a perfect flawless diamond."

Met zijn grote hit The thrill is gone uit 1970 slaagde King erin om voor het eerst een breed (en wit) poppubliek aan te spreken. Hij bracht hem "out of the chitlin circuit, into the realm of Vegas", aldus de producer van The thrill is gone.

Ook zijn tournees met The Rolling Stones en veel later U2 komen aan bod in de film, net zoals het album Riding with the King dat hij met Eric Clapton maakte. Het waren allemaal samenwerkingen die ervoor zorgden dat de schare King-fans steeds groter werd.

'The thrill is gone' - B.B. King (live)

B.B. is the boss

Voor de muzikanten in zijn eigen bands was B.B. King bijzonder veeleisend. Muzikaal-technisch moest je als begeleider je mannetje kunnen staan. Er werd weinig vooraf afgesproken en je moest de improvisaties van B.B. King perfect kunnen volgen, of je had afgedaan. En o wee als je de baas vertelde dat je je een beetje ziekjes voelde omdat je de avond voordien wat lang was doorgezakt. Dan kreeg je gegarandeerd de meeste solo's voor je kiezen.

B.B. King op de tourbus

Aan de andere kant was B.B. King een zorgzame pater familias voor zijn muzikanten. Als er echt een probleem was, kon je ook op hem rekenen. Zo vertelt een trompettist dat hij maandenlang niet kon spelen door problemen met zijn gebit. Dan zei B.B. King: "Je kunt toch ook dansen en tamboerijn spelen? Doe dat dan maar tot je weer beter bent."

Ook het leven backstage komt aan bod. Soulzanger Solomon Burke (net zo'n zwaargewicht als B.B. King, letterlijk en figuurlijk) heeft het over Kings reputatie als womanizer. Combineer dat met het doorlopend onderweg zijn als populaire muzikant, en je kunt je er wel een en ander bij voorstellen. Maar wie had gehoopt op smeuïge details over het meer intieme leven van B.B. King komt bedrogen uit. Dat soort film is het zeker niet.

B.B. King

Deze documentaire behandelt, net zoals zijn voorganger, de koning van de blues met niets dan respect en bewondering. B.B. King wordt net niet heilig verklaard. Maar goed, op het einde van de film geeft Eric Clapton deze mooie typering van de mens Riley B. King: "He is a statesman, a diplomat, a very kind, generous man, very powerful, quite phenomenal. But above all, he is a musician of such magnitude, it's beyond description."

Katoenplukker met gitaar

Katoenplukker met gitaar

Riley B. King werd op 16 september 1925 geboren op een katoenplantage in Mississippi. Hij leek voorbestemd voor een leven op het land, als katoenplukker of tractorbestuurder. Maar hij zong al op jonge leeftijd mee in het plaatselijke gospelkoor en daar kreeg hij de muziekmicrobe te pakken.

Zijn eerste gitaar kocht hij toen hij twaalf was. Het was een afdankertje dat nog 15 dollar koste, exact het maandloon dat Riley verdiende op de plantage. Zijn baas schoot het bedrag voor en hij mocht het in twee keer afbetalen. En zo begon voor Riley King een lange carrière die meer dan vijf decennia zou duren.


Beale Street Blues Boy

Beale Street Blues Boy

Via een job als diskjockey bij WDIA in Memphis, het eerste volledig zwarte radiostation van de USA, kwam hij in de muzieksector terecht. En hij kwam er ook aan zijn bijnaam: op de radio noemde hij zich 'The Beale Street Blues Boy' of kortweg 'Blues Boy'. Dat werd later gewoon B.B.

Zijn eerste hit als zanger en gitarist scoorde hij in 1951 met Three o'clock in the morning. Dat was een nummer van Lowell Fulson, een bluesman waar B.B. King bewondering voor had. Andere belangrijke invloeden waren bluesgitaristen als Elmore James en T-Bone Walker en jazziconen als Charlie Christian en Django Reinhardt.


The thrill of the King

The thrill of the King

B.B. King vond al snel zijn eigen stijl. Die is onmiddellijk herkenbaar aan het accent in de vibrato aan het einde van een noot. Het is B.B.'s typerende 'thrill'. Daarmee imiteerde hij op een gewone elektrische gitaar de sound van een slidegitaar, zoals hij dat gehoord had bij zijn verre neef Bukka White.

Maar akkoorden speelde hij niet. Zo vertelde hij veel later aan de (toen nog) jongens van U2: "Gentlemen, I don't do chords. You'll have to find someone else to play them." Dat ging dan over hun samenwerking voor de single When love comes to town (Rattle and Hum, 1988).


Zingen met stem en snaren

Zingen met stem en snaren

Wat B.B. King deed op z'n gitaar, niet alleen met U2 maar eigenlijk al vanaf het begin, was niet meer of minder dan zingen. Geen oeverloos snarengepingel of geen technische hoogstandjes voor hem, maar gewoon een paar rake noten - hoe minder, hoe beter - waarmee hij instrumentaal verderging op het verhaal dat eerst uit zijn strot kwam: in wezen gewoon een variatie op iets als Every day I have the blues.


Katoenplukker met gitaar

Riley B. King werd op 16 september 1925 geboren op een katoenplantage in Mississippi. Hij leek voorbestemd voor een leven op het land, als katoenplukker of tractorbestuurder. Maar hij zong al op jonge leeftijd mee in het plaatselijke gospelkoor en daar kreeg hij de muziekmicrobe te pakken.

Zijn eerste gitaar kocht hij toen hij twaalf was. Het was een afdankertje dat nog 15 dollar koste, exact het maandloon dat Riley verdiende op de plantage. Zijn baas schoot het bedrag voor en hij mocht het in twee keer afbetalen. En zo begon voor Riley King een lange carrière die meer dan vijf decennia zou duren.

Beale Street Blues Boy

Via een job als diskjockey bij WDIA in Memphis, het eerste volledig zwarte radiostation van de USA, kwam hij in de muzieksector terecht. En hij kwam er ook aan zijn bijnaam: op de radio noemde hij zich 'The Beale Street Blues Boy' of kortweg 'Blues Boy'. Dat werd later gewoon B.B.

Zijn eerste hit als zanger en gitarist scoorde hij in 1951 met Three o'clock in the morning. Dat was een nummer van Lowell Fulson, een bluesman waar B.B. King bewondering voor had. Andere belangrijke invloeden waren bluesgitaristen als Elmore James en T-Bone Walker en jazziconen als Charlie Christian en Django Reinhardt.

The thrill of the King

B.B. King vond al snel zijn eigen stijl. Die is onmiddellijk herkenbaar aan het accent in de vibrato aan het einde van een noot. Het is B.B.'s typerende 'thrill'. Daarmee imiteerde hij op een gewone elektrische gitaar de sound van een slidegitaar, zoals hij dat gehoord had bij zijn verre neef Bukka White.

Maar akkoorden speelde hij niet. Zo vertelde hij veel later aan de (toen nog) jongens van U2: "Gentlemen, I don't do chords. You'll have to find someone else to play them." Dat ging dan over hun samenwerking voor de single When love comes to town (Rattle and Hum, 1988).

Zingen met stem en snaren

Wat B.B. King deed op z'n gitaar, niet alleen met U2 maar eigenlijk al vanaf het begin, was niet meer of minder dan zingen. Geen oeverloos snarengepingel of geen technische hoogstandjes voor hem, maar gewoon een paar rake noten - hoe minder, hoe beter - waarmee hij instrumentaal verderging op het verhaal dat eerst uit zijn strot kwam: in wezen gewoon een variatie op iets als Every day I have the blues.

Jeroen Revalk

VRTNU VRTNU VRTNU