
dit is wat een schilder zou zien:
de gebleekte graskant, kastanjes
en linden, het warme maar heengaande
licht van de avond en tegen de haag
op de andere oever een loper, en zijn
gedachten, hoe schilder je die
en boven het water de meeuwen
en tussen het licht- en het donkerder groen
de plecht van een jacht, het schuiven
der dingen, de richtingen
het water zelf kun je hier waar wij zitten
niet zien en ik vraag me nog af hoe je
afstanden schildert, steeds lichter misschien
tot je wit overhoudt, en hoe het verleden
toen jij daar nog liep
hoe schilder je dat je nooit weer
daar zult lopen, tegenstribbelend
aan je vaders hand
uit: Buitenland
uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam
ja, wij hielden van dat langzame
klimmen omhoog uit het dal
tussen slapende bergen en achterom,
naar de dorpen te kijken, zoals
ze daar lagen, nog in de schaduw,
achtergebleven
wij hielden ervan om een steen op te rapen
hem in het licht van augustus te houden
en hem weer neer te leggen
tussen de andere stenen
wij klommen traag, in gedachten
verzonken, wij brachten de tijd door,
intens als de dieren, de oren gespitst,
de neus in de wind, het heden
was ons vergund
uit: Buitenland
uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam

Morgen zou hun reistijd
kunnen zijn. Zij vermoeden
nu iets van herfst, houden
avond bij een laatste gesprek.
Zingen ligt dood in hun stem.
Zij zitten samen op tijd om te weten
dat het in hen later is dan zomer.
Klaar om niets anders dan
de lucht te maken, zullen ze rijmen
op elkaar. Een vleugelslag
die in ons het nakijken zal slaan.
Uit: Diep in het seizoen
Uitgeverij P, Leuven










