
Vanaf augustus leek de opmars naar Duitsland vlot te verlopen voor de geallieerden. Parijs werd bevrijd en korte tijd later ook Brussel. Maar toen de troepen de Siegfried Linie bereikten, werden ze met een nieuw probleem geconfronteerd: de aanvoerlijnen waren te lang geworden en de machine stokte.
Bovendien was er achter de schermen tussen de geallieerde legeraanvoerders een strategisch dispuut aan de gang. Tot nu toe had de Britse generaal Montgomery de leiding over de militaire grondoperaties. Maar de Amerikaanse opperbevelhebber Eisenhower wilde nu zelf de touwtjes in handen nemen.
Montgomery droomde van een snelle overwinning, in één geconcentreerde veldtocht naar Berlijn en uiteraard met een hoofdrol voor de Britse troepen. Eisenhower pleitte voor een breed front, onder Amerikaanse aanvoering. Beiden kregen het deksel op de neus: de Britten in de desastreuze slag om Arnhem, de Amerikanen in de fameuze Battle of the Bulge, het Duitse tegenoffensief in de Ardennen. Pas toen Britten en Amerikanen de rangen weer sloten, konden deze pijnlijke tegenslagen worden omgebogen in een hernieuwd geallieerd elan.









